Project Gutenberg's De reis om de wereld in tachtig dagen, by Jules Verne This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De reis om de wereld in tachtig dagen Author: Jules Verne Release Date: March 23, 2005 [EBook #11318] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE REIS OM DE WERELD *** Produced by Jeroen Hellingman & the PG Distributed Proofreaders Team
Waarin Phileas Fogg en Passepartout elkander wederkeerig aannemen, den een als meester, den ander als knecht.
In het jaar 1872 werd het huis no. 7 in Saville Row, Burlington Gardens, waarin Sheridan in 1814 overleed, bewoond door Phileas Fogg esq., een der zonderlingste en meest bekende leden van de Reform-club te Londen, al deed hij ook al wat in zijn vermogen was om de aandacht niet op zich te vestigen.
Een der welsprekendste redenaars, waarop Engeland zich verheffen mag, had dus tot opvolger Phileas Fogg, een raadselachtig persoon, van wien men niets wist, dan dat hij een hoogst wellevend man was en een der schoonste gentlemen uit de aanzienlijkste kringen.
Men zeide dat hij op Byron geleek—wat zijn hoofd aangaat, want zijne voeten waren onberispelijk—maar een Byron met baard en knevel, een kalme Byron die duizend jaar had kunnen leven zonder oud te worden.
Ofschoon zonder eenigen twijfel Engelschman van geboorte, was hij misschien geen Londener. Men had hem nooit aan de beurs of aan de bank gezien, noch in eenig kantoor der City. Noch de bassins, noch de dokken te Londen hadden ooit eenig schip bevat, dat Phileas Fogg tot reeder had. Hij was lid van geen enkele administratieve commissie. Zijn naam was nog nooit genoemd in een gezelschap van advocaten, noch in Temple-bar, noch in Lincolns-inn. Nooit had hij gepleit voor de Court of Chancery, of voor Queens-bench, of voor de Rekenkamer of voor het kerkelijk Hooggerechtshof. Hij was noch fabrikant, noch grossier, noch winkelier, noch landbouwer. Hij was geen lid van het Koninklijk Britsch Instituut, noch van het Londensch Instituut, noch van Bladzijde 2de Maatschappij van Werklieden, noch van het Russels Instituut, noch van het Westersch Genootschap van Letterkunde, noch van de Vereeniging voor Rechtsgeleerdheid, noch van het Vereenigd Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dat onder rechtstreeksche bescherming staat der Koningin. Hij behoorde ook tot geen dier tallooze andere vereenigingen en genootschappen, waaraan Engelands hoofdstad zoo rijk is: van de maatschappij Armonica af tot het Entomologisch Genootschap, dat voornamelijk werd opgericht om schadelijke insecten uit te roeien.
Phileas Fogg was lid van de Reform-club en van niets anders.
Wie zich verwonderen mocht, dat zulk een geheimzinnig man onder de leden van dien aanzienlijken kring werd opgenomen, vindt daarvan de verklaring in de omstandigheid, dat hij was voorgesteld door de gebroeders Baring, bij wie hij een open crediet had. Altijd werden zijne wissels op zicht betaald en geboekt op zijn rekening-courant, waarop hij altijd als crediteur stond.
Was deze Phileas Fogg rijk? Zonder eenigen twijfel. Maar hoe had hij fortuin gemaakt? Dat wisten zelfs de best ingelichten niet, en Fogg was wel de laatste, aan wien men het zou durven vragen. In elk geval, hij was in geen opzicht verkwistend, maar ook nooit gierig; overal waar de steun werd gevraagd voor eene goede, nuttige of loffelijke zaak, droeg hij in stilte en zelfs onbekend bij.
Niemand was zoo weinig spraakzaam als deze gentleman. Hij sprak zoo min mogelijk en die stilzwijgendheid verhoogde nog het geheimzinnige, dat hem kenmerkte. Nochtans lag zijn leven voor ieder open, maar wat hij deed was zulk een mathematische herhaling van hetzelfde, dat de verbeelding, hiermede niet voldaan, er meer achter wilde zoeken.
Had hij gereisd? Dit was waarschijnlijk, want niemand had beter de wereldkaart in zijn hoofd. Zulk een afgelegen plekje was er niet, of hij kende het in alle bijzonderheden. Nu en dan, maar altijd in weinige woorden, kort en duidelijk, nam hij de dwalingen weg, die voortsproten uit de praatjes omtrent verloren geraakte reizigers; hij gaf de meest waarschijnlijke verklaring van hun lot en zijne woorden schenen vaak geïnspireerd door een visioen, wanneer later bleek dat alles zich had toegedragen gelijk hij gezegd had. Hij moest overal geweest zijn—althans in zijn geest.
Een ding intusschen was zeker: dat Phileas Fogg sedert vele jaren Londen niet had verlaten. Zij, die de eer hadden hem wat nader te kennen dan anderen, verklaarden dat, behalve op den weg, die den kortsten afstand vormde van zijn huis naar de club, niemand hem ooit elders gezien had. Hij bracht zijne dagen door met lezen en whisten. Bij dit spel, waarbij niet gesproken wordt en dat dus geheel overeenstemde met zijn karakter, won hij meest altijd, maar die winst stak hij niet op; hij bestemde ze voor liefdadige Bladzijde 3doeleinden. Bovendien gaf Fogg steeds doorslaande blijken dat hij speelde om het spel maar niet om de winst. Het spel was voor hem een strijd, een worsteling tegen moeielijkheden, maar eene worsteling zonder beweging, zonder zich te verplaatsen, zonder zich te vermoeien en dat kwam volkomen met zijn inborst overeen.
Phileas Fogg had, zoover men wist, geen vrouw of kinderen—wat den besten kan gebeuren—en ook geen bloedverwanten of vrienden, wat zeker minder algemeen voorkomt. Hij leefde alleen in zijn huis in Saville Row, waar niemand ooit tot hem doordrong. Zijn huiselijk leven was dus volkomen onbekend. Aan een enkelen knecht had hij genoeg. Hij ontbeet en dineerde in zijn club op dezelfde, met chronometrische juistheid afgepaste uren, in dezelfde zaal, aan dezelfde tafel, nooit zijne collega's onthalende of vreemde gasten noodigende. Hij ging naar zijn huis alleen om te slapen, precies te middernacht, zonder ooit gebruik te maken van de goed ingerichte slaapvertrekken, die de club ter beschikking houdt van hare leden. Van de vier en twintig uren bracht hij er tien door in zijne woning met slapen of de zorg voor zijn toilet. Als hij wandelde, was het altijd met denzelfden tred in de voorzaal met ingelegden vloer of in de galerij om het huis, waarover een glazen dak zich uitstrekte, rustende op ionische kolommen van rood porfier. Als hij ontbeet of dineerde was het steeds uit de keuken, de spijskamer, den kelder, den vischvijver en het roomhuis der club, die het beste van hun voorraad voor zijne tafel opleverden; het waren de bedienden uit de club, deftig in het zwart gekleede personen met vilten zolen onder hunne schoenen, die de spijzen opbrachten in het eigen servies der club en op het eigen fijn damast tafellaken plaatsten; de kristallen glazen, eigen model van de club, bevattende zijn sherry, zijn portwijn en zijn bordeaux, vermengd met kaneel en aromatische kruiden; eindelijk was het ijs der club, met groote kosten uit de amerikaansche meren aangevoerd, dat zijne dranken bewaarde en frisch hield.
Als op deze wijze te leven iets zonderlings heeft, die zonderlingheid heeft toch hare goede zijde.
Het huis in Saville Row was niet buitengewoon prachtig, maar onderscheidde zich door bijzonder gemakkelijke inrichting. De nooit wisselende gewoonte van den heer des huizes maakten dat de dienst zeer gemakkelijk te verrichten was. Phileas Fogg eischte slechts van zijn eenigen bediende eene stiptheid en eene regelmatigheid zonder wederga. Den dag, waarop wij hem het eerst ontmoeten, den 2den October, had hij zijn knecht James Forster uit zijn dienst ontslagen, omdat deze zich aan het misdrijf had schuldig gemaakt, dat hij hem scheerwater had gebracht van 88 graden Fahrenheit in plaats van 86 graden, en hij wachtte diens opvolger tusschen elf uur en half twaalf.
Bladzijde 4Phileas Fogg zat in zijn leunstoel, de beenen tegen elkander gesloten als een soldaat op een parade, de handen rustende op zijn knieën, het bovenlichaam recht op, het hoofd stijf en starend op de pendule, een zeer samengesteld uurwerk, dat uren, minuten, seconden, dag der week, datum en jaartal aanwees. Als het half twaalf sloeg, moest Fogg, krachtens zijne dagelijksche gewoonte, zijn huis verlaten en zich naar de Reform-club begeven.
Op dit oogenblik werd aan de deur van zijn klein salon geklopt en James Forster, de ontslagen knecht, trad binnen.
“De nieuwe bediende,” zeide hij.
Een man van dertig jaar kwam binnen en groette.
“Gij zijt een Franschman en heet John?” vroeg Phileas Fogg.
“Jean, met uw welnemen,” antwoordde de binnenkomende, “Jean Passepartout, een naam, dien ik behouden heb en dien ik verwierf door mijn talent, om mij in alle omstandigheden te schikken. Ik geloof dat ik een eerlijke jongen ben, mijnheer, maar ik moet oprecht zijn en u zeggen, dat ik van alles bij de hand heb gehad. Ik ben reizend zanger geweest, oppasser in een paardenspel, ik heb op het trapèze gewerkt als Léotard en koord gedanst als Blondin; toen ben ik onderwijzer in de gymnastiek geworden, ten einde meer partij van mijne talenten te trekken en eindelijk was ik sergeant bij de pompiers te Parijs. Ik heb onder mijne papieren hoogst belangrijke brand-rapporten. Maar sedert vijf jaren heb ik Frankrijk verlaten en daar ik het huiselijk leven genieten wilde, ben ik kamerdienaar in Engeland geworden. Thans ben ik zonder betrekking en daar ik vernomen heb, dat de heer Phileas Fogg de meest stipte en minst onbestendige man uit het vereenigd koninkrijk is, ben ik zoo vrij mij bij u aan te bieden, in de hoop hier rustig te leven en zelfs mijn naam van Passepartout te vergeten.”
“Passepartout bevalt mij,” antwoordde de gentleman. “Men heeft u bij mij aanbevolen. Ik heb goede berichten omtrent u. Kent gij mijne voorwaarden?”
“Ja, mijnheer.”
“Goed. Hoe laat hebt gij 't?”
“Twee en twintig minuten over elven,” zeide Passepartout, uit de diepte van zijn vestjeszak een ontzaglijk zilveren horloge te voorschijn halende.
“Gij gaat achter,” zeide Fogg.
“Houd mij ten goede, mijnheer, dat is onmogelijk.”
“Gij gaat vier minuten achter. Maar dat doet er niet toe. Het is genoeg, dat het verschil bekend zij. Van dit oogenblik af, elf ure negen en twintig minuten in den morgen van Woensdag 2 October 1872, zijt gij in mijn dienst.”

Phileas Fogg.
Na dit gezegd te hebben stond Phileas Fogg op, nam met zijn Bladzijde 5linkerhand zijn hoed, zette dien met de beweging van een automaat op zijn hoofd en vertrok zonder een woord meer te zeggen. Passepartout hoorde de voordeur sluiten; het was zijn meester, Bladzijde 6die heenging; toen hoorde hij haar nogmaals dichttrekken; het was zijn voorganger, die insgelijks heenging.
Passepartout bleef alleen in het huis no. 7 van Saville Row.
Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk zijn ideaal gevonden heeft.
“Op mijn woord van eer,” sprak Passepartout bij zich zelven, toen hij van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, “ik heb bij madame Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn nieuwe meester.”
Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te Londen een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en vreemdelingen wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak missen om wezenlijke menschen te schijnen.
In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht, had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar met een edel, schoon gelaat, hooge gestalte, die door eene zekere gezetheid niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een effen rimpelloos voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met prachtige tanden. Hij scheen in de hoogste mate te bezitten wat de beoefenaars der gelaatkunde “de rust der beweging” noemen, eene uitdrukking eigen aan allen, die meer handelen dan leven maken. Kalm, flegmatiek, met een helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij de volmaakte type van die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak in hun vaderland aantreft en waarvan Angelica Kauffman zoo treffend de schier academische figuur door haar penseel heeft weergegeven. In zijne verschillende levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den indruk van een wezen, wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren, zoo volmaakt als in een chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas Fogg was dan ook de nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar was in de “uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;” want bij den mensch zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen, welke de hartstochten en neigingen uitdrukken.
Bladzijde 7Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd den kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar het plafond, geene enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal intusschen begrijpen, dat hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt, ging hij met niemand om.
Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft, deze was een echte Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had hij naar een meester gezocht, aan wien hij zich hechten kon.
Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo's met trotsche houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met een van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals van een vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur, wangen zoo rond dat hij zelf ze zien kon, breede borst, krachtige gestalte, breede spieren en bezat eene herculische kracht, die door de lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was ontwikkeld. Zijne donkere haren waren altijd een weinig in wanorde. Zoo de beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden, om het haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om het zijne in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende om zijn toilet te voltooien.
Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt en nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding blijken. Na zijne min of meer onstuimige jeugd, verlangde hij bovenal naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid Bladzijde 8van het Parlement, kwam vaak, na den nacht in de oester-huizen van Haymarket te hebben doorgebracht, op de schouders van politie-agenten te huis. Daar Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij dat de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit, zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood zich dus aan en werd aangenomen op de wijze, als wij mededeelden.
Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van Saville Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk, puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar een slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in alle eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij op de tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was volkomen naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden haar in gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen stond eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde met de pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken gaven altijd dezelfde seconde aan.
“Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed,” sprak Passepartout bij zich zelven.
Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule hing. Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te doen. Het bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas Fogg opstond, tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club begaf om te ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en geroosterd brood ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater ten negen ure zeven en dertig, het haar in orde brengen ten negen ure vijftig enz. Van half twaalf des voormiddags tot twaalf ure 's nachts, op welk uur de stelselmatige Engelschman zich te rust begaf, was alles bepaald, voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier in dit programma te bestudeeren en de verschillende punten er van in zijn geheugen te prenten.
Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde en bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een nummer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren vermeld waarop de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen, alsmede de tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen. Bladzijde 9

Jean Passepartout.
Kortom, dit huis in Saville Row, dat in de dagen van den beroemden maar losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest, bevatte thans de gemakkelijkste meubels, die van Bladzijde 10eene onbekommerde levenswijze getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken, want deze zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest, daar de Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de een van werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer stond eene brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de dieven als tegen de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet, geen enkel voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de bewoner zeer vredelievend was.
Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven:
“Het bevalt me; 't is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk man. Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek te bedienen.”
Een gesprek dat Phileas Fogg duur te staan kan komen.
Phileas Fogg had om half twaalf zijn huis in Saville Row verlaten, en na vijf honderd vijf en zeventig maal zijn rechtervoet vóor zijn linker en vijf honderd zes en zeventig maal zijn linker vóor zijn rechter voet gezet te hebben, kwam hij in de Reform-club, een groot gebouw in Pall Mall, dat niet minder dan drie millioen pond gekost heeft.
Phileas Fogg ging terstond naar de eetzaal, waarvan de negen ramen uitkwamen op een fraaien tuin met boomen, die reeds eene gele herfsttint kregen. Daar nam hij aan de tafel plaats, waar zijn couvert hem reeds wachtte; zijn ontbijt bestond uit een bijgerecht, gekookte visch met “reading sauce,” biefstuk met champignons, een gebak gevuld met rabarberstelen en kruisbessen met een stukje Chesterkaas, en bij dat alles voegde hij eenige kopjes thee, bepaald uit China gezonden voor de Reform-club.
Om dertien minuten voor éenen stond de gentleman op en begaf zich naar de groote zaal, eene prachtige kamer, versierd met schilderijen Bladzijde 11in rijke lijsten. Een bediende legde daar de onopengesneden Times neer vóor zijne plaats, en Phileas Fogg maakte ze los met een vastheid van hand, die getuigde dat hij in dit moeielijk werk zeer ervaren was. Met deze lectuur was Phileas Fogg bezig tot kwart over drieën; de Daily Telegraph, die daarop volgde, duurde tot het diner. Dit diner was ingericht op dezelfde manier als het ontbijt, slechts met bijvoeging van de “royal british sauce.” Twintig minuten vóor zessen verscheen de gentleman weder in de groote zaal, en daar verdiepte hij zich in den Morning Chronicle.
Een half uur later kwamen de verschillende habitués van de Reform-club opdagen en namen plaats bij den haard, waarin een lekker vuur brandde. Dit waren Phileas Fogg's gewone medespelers in het whistspel: de ingenieur Andrew Stuart, de bankiers John Sullivan en Samuel Fallentin, de brouwer Thomas Flanagan en Gauthier Ralph, een van de directeuren der engelsche bank, allen rijke en aanzienlijke personen, zelfs in die club, onder wier leden men de voornaamste industrieele en financieele beroemdheden telde.
“Wel! Ralph,” begon Thomas Flanagan, “hoe staat het met den diefstal?”
“Ja,” antwoordde Andrew Stuart, “de bank is haar geld kwijt.”
“Ik vertrouw integendeel,” zeide Gauthier Ralph, “dat wij den dief wel zullen krijgen. Men heeft zeer handige inspecteurs van politie naar Amerika en naar de voornaamste havens van Europa gezonden, zoodat het dien heer moeite zal kosten om hun te ontsnappen.”
“Men heeft dus het signalement van den dief?” vroeg Andrew Stuart.
“Het is eigenlijk geen dief,” antwoordde Gauthier Ralph ernstig.
“Hoe? Is het geen dief, die vijf en vijftig duizend pond sterling aan bankpapier gestolen heeft.”
“Neen,” zeide Ralph.
“Is het dan iemand, die zaken aan de beurs doet?”
“De Morning Chronicle verzekert dat het een gentleman is.”
Hij, die dit zeide was niemand anders dan Phileas Fogg, wiens hoofd even uitstak boven een stapel couranten welke voor hem lagen. Tegelijkertijd groette Phileas Fogg zijn collega's, die zijn groet beantwoordden.
De zaak waarover men sprak en waarover de verschillende dagbladen van het Vereenigde Koninkrijk zoo ijverig van gedachten wisselden, was drie dagen geleden, den 29en September gebeurd. Een lias banknoten, de aanzienlijke som van vijf en vijftig duizend pond sterling vertegenwoordigende, was weggenomen van het tafeltje van den eersten boekhouder der engelsche bank.
Bladzijde 12Aan hem, dien het verwonderde dat zulk een diefstal zoo gemakkelijk kon gebeuren, gaf de onder-directeur, Gauthier Ralph, eenvoudig ten antwoord, dat juist op dat oogenblik de kassier bezig was om een quitantie te registreeren en dat men niet op alles te gelijk kan letten.
Men moet niet uit het oog verliezen—iets wat de zaak duidelijker maakt—dat deze uitmuntende instelling, de engelsche bank zich zeer veel aan de waardigheid van het publiek laat gelegen liggen. Geen wacht, geen oppassers, geen traliewerk! Het goud, het zilver en de banknoten zijn aan ieders blikken blootgesteld en liggen schijnbaar ter beschikking van den eerstkomende. Men mocht toch de eerlijkheid van elken voorbijganger niet wantrouwen. Iemand, die het best de engelsche zeden heeft bestudeerd, vertelt daaromtrent zelfs het volgende. Eens was hij zeer nieuwsgierig om van nabij een gouden staaf te zien, die zes à acht pond woog en op een tafeltje van den kassier lag, in de zaal, waar hij zich bevond. Hij nam deze staaf, bekeek haar, gaf haar aan zijn buurman, deze aan een anderen, zoodat zij van hand tot hand ging, tot in de donkeren gang en niet dan na een half uur terugkwam, zonder dat zelfs de kassier maar even opgekeken had.
Den 29en September echter liep niet alles op deze wijze af. De lias banknoten kwam niet terug, en toen de prachtige pendule op den schoorsteenmantel vijf uur sloeg en de instelling gesloten werd, had de engelsche bank vijf en vijftig duizend pond op hare onkostenrekening te brengen.
Toen de diefstal goed en deugdelijk was erkend, werden politieagenten “detectives”, gekozen uit de besten, naar de voornaamste havens gezonden, naar Liverpool, Glasgow, Havre, Suez, Brindisi, New-York enz., met belofte dat, zoo zij den dief opspoorden, hun eene premie van twee duizend pond zou worden toegekend en voorts vijf percent van de som welke nog in zijn bezit werd gevonden. In afwachting van de inlichtingen, welke zouden voortspruiten uit het onderzoek, dat terstond was ingesteld, hadden die inspecteurs in last, om met de meeste nauwlettendheid alle reizigers gade te slaan, die mochten aankomen of vertrekken.

“Ja, mijnheer, om vierduizend pond!” Blz. 15.
Nu had men, zooals de Morning Chronide zeide, reden om te onderstellen, dat hij, die de bank bestolen had, geen deel uitmaakte van een der dievengenootschappen in Engeland. Op dien 29en September was een welbekend heer, die er zeer fatsoenlijk uitzag en zelfs een voornaam voorkomen had, in de zaal der uitbetalingen gezien, waar de diefstal had plaats gehad. Door de ingestelde enquête had men vrij nauwkeurig het signalement van dien heer kunnen opmaken, dat nu terstond aan alle detectives in het geheele Rijk gezonden werd. Eenige optimisten—en daaronder Bladzijde 13was Gauthier Ralph—achtten het op dien grond vrij waarschijnlijk, dat de dief niet ontsnappen zou.
Zooals men denken kan, was deze gebeurtenis het onderwerp Bladzijde 14van alle gesprekken in Londen en geheel Engeland. Men twistte er over en men koos zelfs met eenigen hartstocht partij voor of tegen de waarschijnlijkheid dat de politie der hoofdstad in hare pogingen zou slagen. Te verwonderen was het dus niet, dat ook de leden der Reform-club hetzelfde onderwerp behandelden, vooral niet, omdat een van de onderdirecteuren der bank zich onder hen bevond.
De heer Gauthier Ralph twijfelde niet aan den goeden uitslag van het onderzoek en was van oordeel, dat de uitgeloofde premie in hooge mate strekken moest om den ijver en het doorzicht van de politie te versterken. Diens collega Andrew Stuart daarentegen was er verre van af zijn vertrouwen te deelen. De strijd werd dan ook voortgezet aan de whisttafel tusschen de heeren Stuart, Flanagan, Fallentin en Fogg. Onder het spelen spraken de spelers niet, maar tusschen de robbers herleefde het afgebroken gesprek telkens in zijn volle kracht.
“Ik houd vol,” zeide Andrew Stuart, “dat de kansen ten gunste zijn van den dief, die zeer zeker een handig man moet zijn.”
“Kom, kom!” antwoordde Ralph, “er is geen enkel land, waar hij een schuilplaats zou kunnen vinden.”
“Nu nog mooier!”
“Waar zou hij naar toe gaan?”
“Ik weet er niets van,” antwoordde Andrew Stuart, “maar dit weet ik wel, dat de wereld groot genoeg is.”
“Dat was zij voorheen” ... zeide Phileas Fogg half luid; “u moet coupeeren, mijnheer,” ging hij voort, de kaarten aan Thomas Flanagan toeschuivende.
Het gesprek werd gedurende den robber niet vervolgd. Maar al spoedig verbrak Andrew Stuart de stilte door te zeggen:
“Hoe, voorheen? Is de wereld misschien kleiner geworden?”
“Zonder twijfel,” hernam Gauthier Ralph. “Ik ben van dezelfde meening als mijnheer Fogg: de wereld is kleiner geworden, omdat men haar nu in tienmaal minder tijd omreist dan honderd jaar geleden. En dat zal in het geval, waarin wij nu verkeeren, de nasporingen zeer bespoedigen.”
“Maar voor den dief is het vluchten nu ook zooveel gemakkelijker geworden.”
“Gij moet spelen, mijnheer Stuart,” zeide Phileas Fogg.
Maar de ongeloovige Stuart was nog niet overtuigd en nauwelijks was het spel uit, of hij zeide:
“Ik moet zeggen, mijnheer Ralph, dat gij al een zeer aardige manier hebt, om te bewijzen dat de wereld kleiner is geworden. Omdat men de wereld kan omreizen in drie maanden....”
“In tachtig dagen,” verbeterde Phileas Fogg.
“Inderdaad heeren,” voegde John Sullivan er bij, “sedert de Bladzijde 15sectie Rothal-Allahabad van den Great-Indian Peninsular-spoorweg, is geopend, maakt de Morning Chronicle de volgende berekening:
| Van Londen naar Suez over den Mont-Cenis en Brindisi, spoorweg en mailbooten, | 7 dagen |
| Van Suez naar Bombay, mailbooten, | 13 dagen |
| Van Bombay naar Calcutta, spoorweg, | 3 dagen |
| Van Calcutta naar Hongkong (China), mailboot, | 13 dagen |
| Van Hongkong naar Yokohama (Japan), mailboot, | 6 dagen |
| Van Yokohama naar San-Francisco, mailboot, | 22 dagen |
| Van San-Francisco naar New-York, spoorweg, | 7 dagen |
| Van New-York naar Londen, mailboot en spoorweg, | 9 dagen |
| ——— | |
| 80 dagen.” |
“Juist, tachtig dagen,” zeide Andrew Stuart, die door onoplettendheid een hooge kaart troefde; “maar daaronder niet begrepen het slechte weer, tegenwind, schipbreuk, derailleeren enz.”
“Alles er onder begrepen,” antwoordde Phileas Fogg, doorspelende, want ditmaal eerbiedigde het gesprek het spel niet meer.
“Zelfs wanneer de Hindoes of de Indianen de rails opbraken,” riep Andrew Stuart; “wanneer zij den trein tegenhouden, de waggons plunderen en de reizigers scalpeeren.”
“Alles er onder begrepen,” herhaalde Phileas Fogg, die zijn spel nederlegde en nog twee troeven in zijn hand toonde.
Andrew Stuart, wiens beurt het was om te wasschen, nam de kaarten op, zeggende:
“Theoretisch hebt ge gelijk, mijnheer Fogg, maar in de practijk....”
“In de practijk ook, mijnheer Stuart.”
“Ik zou het u wel eens willen zien doen.”
“Dit staat aan u. Laten wij samen vertrekken.”
“De hemel beware me!” riep Stuart; “maar ik wil wel wedden om vier duizend pond sterling, dat zulk een reis op zulke voorwaarden onmogelijk is.”
“Integendeel, zeer mogelijk,” antwoordde Fogg.
“Nu, maak ze dan!”
“De reis om de wereld in tachtig dagen?”
“Ja.”
“Ik wil wel.”
“Wanneer?”
“Terstond. Maar het spreekt van zelf, dat ik het op uw kosten doe.”
“Dat is krankzinnigenwerk!” riep Andrew Stuart, die zich ongerust begon te maken over de hardnekkigheid van zijn medespeler. “Kom! laten wij liever spelen.”
“Geef dan nog eens,” zeide Phileas Fogg, “want gij hebt verkeerd gegeven.”
Bladzijde 16Andrew Stuart nam de kaarten met bevende hand, maar eensklaps ze op tafel nederleggende, zeide hij: “welnu, ja mijnheer Fogg, ik wed om vier duizend pond!...”
“Beste Stuart,” zeide Fallentin, “bedaar toch. Het is geen ernst.”
“Als ik zeg: ik wed,” zeide Andrew Stuart, “dan meen ik het ook.”
“Goed,” zeide Fogg. Toen, zich tot zijn collega's wendende, ging hij voort:
“Ik heb twintig duizend pond bij de gebroeders Baring staan. Ik heb ze er gaarne voor over....”
“Twintig duizend pond!” riep John Sullivan. “Twintig duizend pond, die gij door een onvoorzien oponthoud kunt verliezen.”
“Onvoorziene dingen bestaan niet,” hernam Fogg kalm.
“Maar, mijnheer Fogg, de tijd van tachtig dagen is het minimum van tijd, dat men er voor berekend heeft.”
“Een goed besteed minimum is voor alles voldoende.”
“Maar om het niet te overschrijden moet men met wiskunstige juistheid van den spoorweg op de mailboot en van de mailboot op den spoorweg overspringen.”
“Ik zal wiskunstig overspringen.”
“Dat is scherts!”
“Een goed Engelschman schertst nooit, wanneer er sprake is van zulk eene gewichtige zaak als eene weddenschap,” antwoordde Phileas Fogg. “Ik wed tegen ieder, die maar wil, twintig duizend pond, dat ik de wereld zal rondreizen in tachtig dagen, dat is duizend negen honderd twintig uren of honderd vijftien duizend twee honderd minuten. Neemt gij het aan?”
“Wij nemen het aan!” antwoordden de heeren Stuart, Fallentin, Sullivan, Flanagan en Ralph, na het met elkander eens te zijn geworden.
“Goed,” zeide Fogg. “De trein naar Dover vertrekt om kwart voor negenen. Daar zal ik mede op reis gaan.”
“Van avond nog?” vroeg Stuart.
“Dezen avond,” antwoordde Fogg.
“Alzoo,” ging hij voort, een zak-almanak raadplegende, “het is heden woensdag, 2 October, ik moet in Londen terug zijn, in deze zaal zelve van de Reform club, op zaterdag 21 December, kwart voor negenen, en zoo ik er niet ben, zullen de twintig duizend pond bij de gebroeders Baring gedeponeerd u rechtmatig toebehooren. Ziedaar een wissel voor die som.”

Eene arme vrouw. Blz. 20.
Er werd een proces-verbaal van de weddenschap opgemaakt en terstond door de zes belanghebbenden geteekend. Phileas Fogg was onder dit alles zeer kalm gebleven. Hij had zeker niet gewed om te winnen, en had slechts zijn twintig duizend pond—de helft van zijn vermogen—verbonden, omdat hij voorzag dat hij het andere gedeelte zou moeten uitgeven, ten einde dit moeielijke, om Bladzijde 17niet te zeggen onuitvoerbare, plan te volbrengen. Wat zijne tegenpartij betreft, deze was meer onder den indruk, niet zoozeer om de waarde van den inzet, dan wel omdat zij er eenig bezwaar in Bladzijde 18maakte om te wedden tegen hetgeen toch onmogelijk kon bereikt worden.
Het sloeg zeven uur. Men stelde Fogg voor om dezen robber te staken, opdat hij zijn toebereidselen voor de reis zou kunnen maken.
“Ik ben altijd klaar,” antwoordde de kalme gentleman, en gaf de kaarten. “Ruiten troef,” zeide hij. “U zit voor, mijnheer Stuart.”
Waarin Phileas Fogg zijn knecht Passepartout in de hoogste mate verbaast.
Ten zeven uur vijf en twintig minuten nam Phileas Fogg, na twintig guineas met het whisten gewonnen te hebben, afscheid van zijn collega's en verliet de Reform-club. Tien minuten voor achten was hij in zijne woning terug.
Passepartout, die zijne bezigheden zeer goed kende, stond verbaasd toen hij mijnheer Fogg zich schuldig zag maken aan onnauwkeurigheid, en op dit ongewone uur thuis zag komen.
Volgens zijne gewoonte moest de bewoner van Saville Row eerst ten twaalf uur te huis komen.
Phileas Fogg was terstond naar zijn kamer gegaan en riep: Passepartout!
Passepartout gaf geen antwoord. Dat roepen kon hem niet gelden. Het was nog geen tijd.
“Passepartout,” riep Fogg, nogmaals zonder eenige stemverheffing.
Passepartout kwam boven
“Ik heb u tweemaal geroepen,” zeide Fogg.
“Maar het is nog geen twaalf uur,” antwoordde Passepartout, met de lijst van werkzaamheden, die Fogg hem gegeven had, in de hand.
“Ik weet het,” hernam Fogg, “daarom maak ik er u geen verwijt van. Binnen tien minuten vertrekken wij naar Dover en Calais.”
Een soort van grijns kwam er op het gezicht van den Franschman. Blijkbaar had hij niet goed gehoord.
“Gaat mijnheer ergens anders wonen?” vroeg hij.
Bladzijde 19“Ja,” zeide zijn meester, “wij gaan een reis om de wereld maken.”
Passepartout, met de oogleden en wenkbrauwen opgetrokken, de armen slap langs het lijf en het lichaam in elkander gezonken, was het uitgedrukte beeld der stomme verbazing.
“Een reis om de wereld,” mompelde hij.
“In tachtig dagen,” antwoordde de heer Fogg. “Wij hebben dus geen oogenblik te verliezen.”
“Maar de koffers?”—zeide Passepartout, zijn hoofd schuddende.
“Geen koffers, slechts een reiszak. Doe daarin twee wollen hemden en drie paar kousen en hetzelfde voor u; onderweg koopen wij het overige. Gij haalt mijn overjas en mijn reisplaid. Trek goede schoenen aan. Intusschen wij zullen bijna niet loopen. Ga nu.”
Passepartout had willen antwoorden, maar hij kon niet. Hij verliet de kamer van Fogg, ging naar de zijne, viel op een stoel neder, en mompelde: Wel, wel, dat is me nu toch al sterk. En nu dacht ik zoo rustig hier te zullen leven!
Werktuiglijk maakte hij zijne toebereidselen voor de reis, de reis om de wereld in tachtig dagen! Had hij met een gek te doen? Neen ... het was scherts! Men ging naar Dover, goed. Naar Calais, best. Dat deed den goeden jongen, die sedert vijf jaar den vaderlandschen bodem niet had gedrukt, zelfs genoegen. Men zou misschien zelfs naar Parijs gaan; welnu, hij zou deze groote hoofdstad met genoegen terug zien. Zeker zou een gentleman, die zoo weinig van loopen hield, daar blijven. Ja, ongetwijfeld, maar het was minder zeker, dat die gentleman, die tot nu toe altijd zoo huisvast was, op reis ging, dat hij zich ging verplaatsen.
Om acht uur had Passepartout het eenvoudig valies gereed gemaakt, dat zijn goed en dat van zijn meester bevatte, en verliet, nog half in verwarring zijn kamer, waarvan hij de deur zorgvuldig sloot. Hij kwam nu weder bij Fogg.
Fogg was ook klaar. Onder den arm droeg hij Bradshaw's continental railway-steam-transit and general guide, die alle mogelijke noodige inlichtingen voor de reis bevatte. Hij nam het valies uit de handen van Passepartout, opende het en deed er een lias banknoten in, die in alle landen ter wereld worden aangenomen.
“Gij hebt dus niets vergeten?” vroeg hij.
“Niets, mijnheer.”
“Mijn jas en mijn plaid.”
“Hier zijn ze.”
“Goed zoo, neem nu het valies maar op.” Fogg gaf zijn valies aan Passepartout.
“Draag er goed zorg voor, want er zit twintig duizend pond sterling in.” Bladzijde 20
Het had weinig gescheeld of het valies was uit Passepartouts handen gevallen, alsof de twintig duizend pond sterling in goud waren en daarvan het gewicht hadden.
Toen gingen Fogg en zijn bediende naar beneden en de huisdeur werd op het nachtslot gedaan.
Rijtuigen stonden aan het einde van Saville Row. Phileas Fogg en zijn bediende namen een cab en reden zoo snel mogelijk naar het station van Charing-Cross, waarop een van de takken van den Ooster-spoorweg uitloopt.
Acht uur twintig minuten hield de cab op vóor het hek van het station. Passepartout sprong er uit. Zijn meester volgde hem en betaalde den koetsier.
Op hetzelfde oogenblik naderde eene arme vrouw met een kind aan de hand. Zij liep barrevoets. Haar hoofddeksel was een verflenste hoed, waarvan een armzalige veer afhing; eene shawl in flarden bedekte hare gescheurde plunje. Zij wendde zich tot Phileas Fogg en vroeg een aalmoes.
Fogg gaf haar de twintig guinea's, die hij aan de whisttafel gewonnen had.
“Daar, goede vrouw,” zeide hij, “ik ben blij dat ik u ontmoet heb.”
Daarop ging hij verder.
Passepartont voelde zijne oogen vochtig worden. Zijn meester steeg hooger in zijne achting.
Fogg en zijn bediende gingen terstond naar de wachtkamer. Hier liet Fogg Passepartout twee kaartjes eerste klasse voor Parijs nemen. Toen hij zich omkeerde, zag hij zijn vijf collega's van de Reform-club.
“Mijne heeren,” zeide hij, “ik ga vertrekken, de verschillende visa zullen u in staat stellen om bij mijne terugkomst mijne reis na te gaan.”
“O, mijnheer Fogg, zeide Ralph Gauthier beleefd, “dat is onnoodig. Wij vertrouwen op uw eer van gentleman!”
“Maar zoo is het toch beter,” antwoordde Phileas Fogg.
“Gij vergeet niet, dat ge terug moet zijn?...” merkte Andrew Stuart aan.
“In tachtig dagen,” antwoordde Fogg; “zaterdag 21 December 1872, ’s avonds kwart voor negen.”
“Tot wederziens, mijne heeren!”
Om kwart voor negen namen Phileas Fogg en zijn bediende plaats in denzelfden waggon. Vijf minuten later hoorde men een schel fluitje en de trein zette zich in beweging.
Het was een stikdonkere nacht. Er viel een fijne motregen en het regende gestadig door. Phileas Fogg zat in zijn hoek gedoken en sprak geen woord. Passepartout, nog eenigszins onthutst, drukte onwillekeurig het valies met banknooten stijf tegen zich aan. Bladzijde 21

Daar was-dan ook geen lezer. Blz. 22.
Maar de trein had Sydenham nog niet gepasseerd, of Passepartout uitte een kreet van wanhoop.
“Wat is er?” vroeg Fogg. Bladzijde 22
“Ik heb ... in mijne gejaagdheid ... in mijn ... iets vergeten....”
“Wat?”
“Om de gaskraan in mijne kamer uit te draaien!”
“Zoo vriend,” antwoordde Fogg koel, “dan brandt die voor uwe rekening!”
Waarin een nieuw efect aan de Londensche Beurs komt.
Toen Phileas Fogg Londen verliet, dacht hij zeker niet dat zijn vertrek zulk een opzien zou baren. Eerst bracht het verhaal der weddenschap eene ware gisting te weeg onder de leden der Reform-club; vervolgens plantte zich die beweging voort door de dagbladen en correspondentiën tot het londensche publiek en al de inwoners van het gansche Vereenigde Koninkrijk. De reis om de wereld werd besproken, betwist, ontleed, met zooveel hartstocht en ijver, alsof er sprake was van eene nieuwe Alabama-quaestie.
De een was de partij van Phileas Fogg toegedaan, de ander—en deze had weldra verreweg de meerderheid—was tegen hem. Een reis om de wereld in tachtig dagen was goed in theorie en op papier; in dat minimum van tijd, met de middelen van aansluiting, die tegenwoordig in gebruik waren, was zij niet alleen onmogelijk, maar onzinnig.
De Times, de Standard, de Eveningstar, de Morning Chronicle en twintig andere bladen, die veel gelezen werden, verklaarden zich tegen den heer Fogg. Alleen de Daily Telegraph was tot op zekere hoogte van zijne meening.
Phileas Fogg werd voor dwaas, buitensporig, ja gek verklaard, en in zijn medeleden van de Reform-club werd het zeer afgekeurd dat zij zulk eene weddenschap hadden aangenomen, die duidelijk een verzwakking van Fogg's geestvermogens verried.
Zeer heftige, maar logische artikels verschenen over deze quaestie. Men weet dat Engeland in alles, wat met aardrijkskunde in verband staat, steeds veel belang stelt. Daar was dan ook geen lezer, tot welken stand hij behoorde, die niet de kolommen, welke over de zaak van Phileas Fogg handelden, verslond. Bladzijde 23
In de eerste dagen waren eenige vermetelen, hoofdzakelijk vrouwen, op zijne hand, vooral toen de Illustrated Londen News zijn portret uitgaf naar de photografie die in de archieven van de Reform-club bewaard werd.
Eenige heeren durfden zeggen:—Wel zeker, waarom niet? Men heeft toch nog wel buitengewoner dingen gezien! Dit waren vooral de lezers van de Daily Telegraph. Maar men zag al spoedig dat dit blad zelf begon te wankelen.
En waarlijk, den 7en October verscheen er in het maandschrift van het Koninklijk Aardrijkskundig genootschap een artikel dat de quaestie uit verschillende oogpunten behandelde en zonneklaar bewees dat deze onderneming dwaasheid was. Volgens dit artikel was alles in het nadeel van den reiziger, zoowel de hinderpalen, die de menschen, als die, welke de natuur tegen de verwezenlijking van zijn plan zouden opwerpen. Om in dit plan te slagen, moest men een wonderdadigen samenloop aannemen van de uren van vertrek en aankomst, een samenloop die niet bestond en die niet bestaan kon.
Waar alles zeer nauwkeurig is ingericht als in Europa, dat men in betrekkelijk korten tijd doorreist, daar kan men rekenen op de stipte aankomst der treinen; maar wanneer men slechts drie dagen heeft, om van het eene eind van Indië naar het andere te komen en acht dagen voor de Vereenigde Staten, kon men dan staat maken op de elementen van zulk een vraagstuk? En dan nog de ongelukken, die aan de machines konden overkomen, het derailleeren, de botsingen, het slechte weder, de ophooping van sneeuw, was dat alles niet tegen den heer Fogg? Zou hij niet gedurende den winter op de mailbooten blootgesteld zijn aan stormen en zware mist? Is het dan zoo zeldzaam dat de beste Transatlantische booten dikwijls een oponthoud hebben van twee of drie dagen? Er was maar eene vertraging noodig, en de geheele keten van aansluiting was onherstelbaar verbroken. Zoo Phileas Fogg slechts eenige uren te laat kwam voor éen mailboot, zou hij immers moeten wachten tot de volgende vertrok, en zelfs door dit kleine oponthoud zou zijne reis onherroepelijk mislukt zijn. Dit artikel maakte veel opgang. Bijna alle bladen namen het over, en de acties “Phileas Fogg” daalden geducht.
Gedurende de eerste dagen na het vertrek van den gentleman, waren er groote zaken gedaan tusschen hen, die aan het welslagen van zijne onderneming geloofden of twijfelden. Men kent de buitensporigheid der Engelschen in het wedden. Op dat gebied zijn zij nog veel hartstochtelijker en standvastiger dan de spelers op het hunne. Wedden is een eigenschap van het engelsche karakter. Niet alleen gingen dan ook verschillende leden der Reform-club aanzienlijke weddenschappen aan, maar het groote publiek deed hetzelfde. Bladzijde 24Phileas Fogg werd als een wedrenpaard ingeschreven in een soort van studbook. Men maakte van hem een beurs-effect, dat terstond getaxeerd werd. Men vroeg en bood “Phileas Fogg's” aan en deed er ontzaglijke zaken in. Maar vijf dagen na zijn vertrek en na het artikel van het Maandschrift van het Aardrijkskundig Genootschap begonnen de aanbiedingen de overhand te nemen. De “Phileas Fogg's” daalden. Men bood ze met stapels aan. Eerst werden zij genomen vijf voor een, toen tien, en nu nam men ze niet dan twintig, vijftig, en eindelijk honderd voor een.
Slechts éen aanhanger bleef hem getrouw, het was de lamme lord Albemarle. Deze achtenswaardige gentleman vastgenageld aan zijn stoel, had wel zijn geheele fortuin willen geven om een reis om de wereld te doen, al was het ook in tien jaar, en wedde vijf duizend pond sterling voor Phileas Fogg. Wanneer men hem de dwaasheid en het nuttelooze tevens van het plan onder de oogen bracht, antwoordde hij eenvoudig: Zoo de zaak uitvoerbaar is, dan is het goed dat een Engelschman haar het eerste volbrengt.
De voorstanders van Phileas Fogg verminderden hoe langer hoe meer; iedereen, en niet zonder reden, was tegen hem; men nam hem niet dan tegen honderdvijftig, à twee honderd voor één, totdat zeven dagen na zijn vertrek er iets geheel onverwachts gebeurde, hetwelk oorzaak was, dat men hem in het geheel niet meer nam.
In den loop van dien dag ten negen ure des avonds, ontving de directeur van politie in de hoofdstad een telegram van den volgenden inhoud:
“Van Suez naar Londen.
“Rowan, directeur van politie, hoofddirectie Scotlandplace.
Ik volg dief Bank, Phileas Fogg. Zend onmiddellijk bevel tot inhechtenisneming naar Bombay (Engelsch Indië).
Fix, detective.”

De detective. Blz. 28.
De uitwerking van dit telegram liet zich terstond gevoelen. De algemeen geachte gentleman verdween eensklaps om plaats te maken voor den dief der banknoten. Zijn photographisch portret, dat met die van al zijn medeleden, in het archief berustte, werd vergeleken. Trek voor trek gaf het den man weer, wiens signalement bij het ingestelde onderzoek was opgemaakt. Men herinnerde zich al het geheimzinnige van Phileas Fogg's leven, zijne afzondering, zijn plotseling vertrek, en het was boven allen twijfel verheven, dat deze persoon, onder voorwendsel dat hij een reis om de wereld Bladzijde 25ging maken, die op eene onzinnige weddenschap berustte, geen ander doel had gehad dan de engelsche politieagenten van het spoor te leiden. Bladzijde 26
Waarin de agent Fix een rechtmatig ongeduld aan den dag legt.
Het telegram omtrent Phileas Fogg kwam onder de volgende omstandigheden in de wereld.
Woensdag den 9en October wachtte men te Suez ten elf ure de mailboot Mongolia van de P. & O. Company, eene schroefboot metende twee duizend achthonderd ton, en van vijf honderd paardenkrachten nominaal. De Mongolia deed de reis geregeld van Brindisi naar Bombay door het kanaal van Suez. Het was een der snelste schepen van de Compagnie, en de reglementaire snelheid, namelijk 10 mijlen in het uur van Brindisi naar Suez, en 9-7/8 mijlen van Suez naar Bombay, had het nooit noodig gehad. Twee heeren wachtten op de aankomst der Mongolia, te midden van de inboorlingen en vreemdelingen, die in groote menigte deze stad bezoeken, nog niet lang geleden slechts een dorpje, maar waaraan thans het reuzenwerk van de Lesseps eene schoone toekomst voorspelt.
Een van deze twee heeren was de consulaire agent van het Vereenigde Koninkrijk, te Suez gevestigd, en die—ten spijt van alle ongunstige voorstellingen van het Britsche Gouvernement en van de sombere beschouwingen van den ingenieur Stephenson—iederen dag toch de schepen zag voorbijvaren, op deze wijze den ouden weg van Engeland naar Indië om de Kaap de Goede Hoop tot de helft verkortende. De ander was een klein mager man, met een slim, eenigszins zenuwachtig gelaat, die onophoudelijk zijne wenkbrauwen fronste. Onder zijne lange wimpers zag men zijne levendige oogen schitteren, maar hij bezat de kracht die te temperen. Op dit oogenblik legde hij duidelijke blijken van ongeduld aan den dag; hij liep heen en weder en kon geen minuut op dezelfde plaats blijven staan.
Die man heette Fix. Hij was een van die detectives of engelsche politie-agenten, welke naar de verschillende havens waren gezonden nadat de diefstal aan de engelsche bank was gepleegd. Aan hem was het opgedragen nauwkeurig toe te zien op al de reizigers, die den weg over Suez namen en te onderzoeken of een van hen ook verdacht mocht zijn. In dat geval moest hij diens spoor volgen, totdat hij in het bezit zou wezen van eene volmacht om hem te arresteeren. Bladzijde 27
Juist twee dagen geleden had Fix van den directeur der londensche politie het signalement ontvangen van den vermoedelijken dief. Het was dat van den heer, dien men in het betaalkantoor van de engelsche bank had gezien.
De detective, die blijkbaar zeer belust was op de aanzienlijke premie, welke hem was toegezegd ingeval hij mocht slagen, wachtte dus met een licht te verklaren ongeduld de aankomst der Mongolia.
“En gij zegt, mijnheer de consul,” vroeg hij wel voor de tiende maal, “dat de boot niet lang meer weg kan blijven?”
“Neen, mijnheer Fix,” antwoordde de consul. “Zij was gisteren al lang in het gezicht bij de haven van Port-Saïd en wat zijn honderd zestig kilometers voor zulk een snelloopende boot? Ik verzeker u, dat de Mongolia altijd den prijs van vijf en twintig pond verdiend heeft, dien het Gouvernement heeft gesteld voor elke vier en twintig uren, die zij binnen den bepaalden tijd aankomt.”
“Komt deze mailboot rechtstreeks van Brindisi?” vroeg Fix.
“Ja, van Brindisi, waar zij de post naar Indië heeft opgenomen, en dat zij zaterdag ten tien uur verlaten heeft. Heb dus geduld, zij zal zoo dadelijk komen; maar ik begrijp waarlijk niet hoe gij met het signalement, dat ge nu hebt, uw man kunt herkennen, zoo hij al aan boord van de Mongolia is.”
“Mijnheer de consul,” antwoordde Fix, “die menschen ruikt men meer dan dat men ze wel herkent. Men moet ze ruiken, en de reuk is een bijzonder zintuig, dat het gehoor en het gezicht steunt. Ik heb in mijn leven verscheidene van die heeren ontmoet, en zoo de dief zich aan boord bevindt, maak er dan gerust staat op, dat hij mij ook niet ontglippen zal.”
“Ik help het u wenschen, mijnheer Fix, want het is een belangrijke diefstal.”
“Een prachtige diefstal,” antwoordde de agent opgetogen. “Vijf en vijftig duizend pond! Zulke buitenkansjes hebben wij niet dikwijls! De dieven beteekenen tegenwoordig niet veel! Het ras der Sheppards sterft uit! Men laat zich nu voor eenige shillings oppakken!”
“Mijnheer Fix,” antwoordde de consul, “gij praat er zoo zeker over, dat ik van harte wensch dat gij slagen zult; maar ik geloof, dat in de omstandigheden waarin gij verkeert, dit moeielijk gaan zal. Weet ge wel, dat volgens het signalement, dat ge gekregen hebt, deze dief zeer veel op een eerlijk man gelijkt?”
“Mijnheer de consul,” antwoordde de inspecteur van politie op beslissenden toon, “de groote dieven gelijken altijd op eerlijke lui. Gij begrijpt toch wel dat voor hen, die een schurkengezicht hebben, slechts éen weg open staat, namelijk om eerlijk te blijven, anders zouden zij ingerekend worden. De eerlijke gezichten zijn het, Bladzijde 28waarop men vooral moet passen. Een moeielijk werk, ik beken het, en dat geen handwerk is, maar eene kunst.”
Men ziet dat Fix niet zonder een weinig eigenwaan was. Onderwijl kwamen er hoe langer hoe meer wandelaars op de kade. Het wemelde er van zeelieden van verschillenden landaard, kooplieden, makelaars, kruiers en fellahs. De mailboot kon blijkbaar ieder oogenblik aankomen.
Het weer was dien dag vrij mooi, doch nog al koud door den oostenwind. Eenige minaretten staken boven de stad uit en werden verlicht door de bleeke zonnestralen. Een havenhoofd van twee mijlen lengte strekte zich ten zuiden als een arm van de reede van Suez uit. Vele visschersbooten en kustvaarders zwierven op de golven der Roode Zee rond; in eenige daarvan herkende men door hun sierlijken bouw nog het model der oude galei.
Onder deze menigte rondwandelende, nam Fix, krachtens de gewoonte aan zijne betrekking eigen, iedereen in het voorbijgaan op.
Het was juist half elf.
“Maar zij komt niet!” riep hij wanhopend uit, toen hij de klok hoorde slaan.
“Zij kan niet ver meer af zijn,” antwoordde de consul.
“Hoe lang zou zij te Suez toeven?” vroeg Fix.
“Vier uren. Juist den tijd om kolen in te nemen. Van Suez naar Aden, aan het uiteinde van de Roode Zee, is de afstand dertien honderd en tien mijlen en moet men een voorraad van brandstoffen innemen.”
“En van Suez gaat deze boot rechtstreeks naar Bombay?”
“Rechtstreeks zonder ergens aan te leggen.”
“Welnu,” zeide Fix, “zoo de dief dezen weg en die boot heeft gekozen, dan moet het zijn plan zijn om te Suez aan wal te gaan, ten einde langs een anderen weg in een der hollandsche of fransche bezittingen in Azië te komen. Hij zou in Indië niet veilig zijn, want dat is engelsch grondgebied.”
“Als het ten minste geen schrander man is,” antwoordde de consul. “Een engelsch misdadiger is altijd beter te Londen verborgen dan in den vreemde.”
Na dit gezegde, dat stof tot veel nadenken gaf aan den inspecteur, ging de consul naar zijn bureau niet ver van daar. Fix bleef alleen achter, in een zeer zenuwachtigen toestand, en met het bepaald voorgevoel, dat de dief zich aan boord der Mongolia moest bevinden. En waarlijk, zoo deze schurk Engeland verlaten had met het plan om naar de Nieuwe Wereld te gaan, moest de weg over Indië wel de voorkeur hebben boven de Atlantische Zee, daar deze minder bewaakt werd of moeielijker te bewaken was dan laatstgenoemde. Fix bleef niet lang aan zijne overpeinzingen overgelaten. Bladzijde 29Een schril gefluit kondigde de nadering der mailboot aan. Alle kruiers en fellahs haastten zich naar de aanlegplaats, en er ontstond een gedrang, dat de ledematen en kleederen der reizigers Bladzijde 30niet weinig in gevaar bracht. Een tiental bootjes verlieten den oever om naar boord van het stoomschip te roeien.

Iemand die de fellahs van zich stootte. Blz. 30.
Weldra zag men de reusachtige Mongolia tusschen de oevers van het kanaal doorstoomen, en toen het elf uur sloeg, liet de stoomboot het anker vallen, terwijl haar stoom met een groot gedruisch uit de pijpen omhoog steeg.
Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten zich met de bootjes naar wal roeien.
Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade.
Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den engelschen consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa zou stellen.
Fix nam werktuigelijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur van politie uit de hoofdstad ontvangen had.
“Dit paspoort is niet van u?” zeide hij tot den reiziger.
“Neen,” antwoordde deze, “het is van mijn meester.”
“En uw meester?”
“Hij is aan boord gebleven.”
“Maar,” hernam de agent, “men moet zich altijd in persoon bij den agent aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen.”
“Hoe zoo? is dat noodig?”
“Dat is noodzakelijk.”
“Waar is het bureel?”
“Daar op den hoek van het plein,” antwoordde de inspecteur, naar een huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem verwijderd was.
“Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden.”
Toen groette de reiziger Fix en ging weer naar de stoomboot terug. Bladzijde 31
Dat alweer de nutteloosheid van een paspoort in politiezaken bewijst.
De agent spoedde zich naar het consulaat. Hij werd terstond op zijn dringende vraag om den consul te spreken, tot dezen toegelaten.
“Mijnheer de consul,” zeide hij, met de deur in het huis vallende, “ik heb reden om te gelooven dat onze dief op de Mongolia is.”
En Fix vertelde wat er tusschen den bediende en hem was voorgevallen.
“Mij is het wel, mijnheer Fix,” antwoordde de consul, “en ik wil het gezicht van zoo'n schurk wel eens zien. Maar misschien zal hij niet eens aan mijn bureel komen, zoo hij 't is voor wien gij hem houdt. Een dief is er niet op gesteld om eenigen indruk van zich achter te laten, en bovendien is de formaliteit der viseering van paspoorten niet verplichtend.”
“Mijnheer de consul,” antwoordde de inspecteur, “zoo het een schrandere kerel is, zooals men wel denken moet, dan zal hij komen!”
“Om zijn paspoort te laten viseeren?”
“Ja. De paspoorten dienen nergens anders toe dan om een fatsoenlijk man in zijne bewegingen te hinderen en een schurk in zijne vlucht behulpzaam te zijn. Ik ben overtuigd dat dit paspoort in orde zal zijn, maar ik vertrouw dat gij het niet viseeren zult.”
“Wel waarom niet? Zoo het paspoort in orde is,” antwoordde de consul, “dan heb ik het recht niet om mijn visa te weigeren.”
“In elk geval, mijnheer de consul, ben ik wel genoodzaakt om dien man hier te houden, totdat ik het bevel tot arrestatie uit Londen ontvangen heb.”
“Wat dat betreft, mijnheer Fix, dat is uwe zaak,” antwoordde de consul, “maar ik heb daartoe geen recht....”
De consul eindigde zijn volzin niet. Er werd geklopt en de klerk kondigde twee vreemdelingen aan, waarvan een dezelfde bediende was, waarmede de detective had staan praten.
Het waren inderdaad de heer en zijn knecht. De eerste reikte zijn paspoort over en vroeg eenvoudig, of de consul er zijn visa op wilde stellen.
Deze nam het paspoort en las het zeer aandachtig, terwijl Fix, die in een hoek gezeten was, den vreemdeling gadesloeg of liever met de oogen verslond. Bladzijde 32
Toen de consul het stuk gelezen had, vroeg hij: “—Gij zijt mijnheer Phileas Fogg, esquire?”
“Ja, mijnheer,” antwoordde de gentleman.
“En deze man is uw bediende?”
“Ja, een Franschman. Passepartout is zijn naam.”
“Gij komt uit Londen?”
“Ja.”
“En gij gaat naar?”
“Bombay.”
“Best, mijnheer. Gij weet dat deze formaliteit met uw paspoort onnoodig is, en dat wij ook het vertoonen van het paspoort niet meer vorderen?”
“Ik weet het, mijnheer,” antwoordde Phileas Fogg, “maar ik wensch door uw visa mijn reis naar Suez te constateeren.”
“Zooals gij wilt, mijnheer.”
Toen de consul het stuk geteekend en gedateerd had, drukte hij er zijn stempel op. Fogg betaalde het visa, en na een koelen groet verliet hij het bureel, gevolgd door zijn knecht.
“Wat zegt ge er van?” vroeg de agent.
“Wel,” zeide de consul, “hij heeft het voorkomen van een fatsoenlijk man.”
“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Fix; “maar dat is hier de quaestie niet. Vindt gij niet, mijnheer de consul, dat deze kalme gentleman trek voor trek gelijkt op den dief, waarvan ik het signalement heb ontvangen?”
“Ik geef het u toe; maar gij weet dat alle signalementen....”
“Ik moet er het mijne van hebben,” antwoordde Fix; “de knecht schijnt mij minder ondoordringbaar toe dan de meester; bovendien is hij een Franschman en Franschen praten graag. Tot straks, mijnheer de consul.”
Met die woorden ging de inspecteur heen om Passepartout op te zoeken.
Toen Fogg het huis van den consul verlaten had, begaf hij zich naar de aanlegplaats. Op eenigen afstand van het schip gekomen gaf hij eenige bevelen aan Passepartout en verdween zelf in zijn hut aan boord der Mongolia. Daar haalde hij zijn opschrijfboekje uit zijn zak en schreef de volgende aanteekeningen:
“Woensdag 2 October,'s avonds 8 uur en 45 minuten Londen verlaten.
“Donderdag 3 October, 's morgens 7 uur 20 minuten te Parijs aangekomen.
“Parijs verlaten donderdag morgen ten 8 ure en 40 minuten.
“Te Turin over den Mont-Cenis aangekomen 4 October, vrijdag 's morgens ten 6 ure 25 minuten.
“Turin verlaten, vrijdag morgen 7 ure 20 minuten.
“Zaterdag 5 October, 's middags 4 uur te Brindisi aangekomen. Bladzijde 33

“Mijn horloge! Een familiestuk....” Blz. 35.
“Met de Mongolia verder gereisd zaterdag avond ten 5 ure.
“Te Suez aangekomen, woensdag morgen 9 October ten 11 uur.
“Totaal der uren van de reis: 156½, en der dagen: 6½. Bladzijde 34
Fogg schreef deze datums op in een reisboek in kolommen verdeeld, die aanduidden—van den 20en October tot den 21en December—de maand, den dag, de uren van aankomst volgens de lijsten, en de uren van werkelijke aankomst in de hoofdstations Parijs, Brindisi, Suez, Bombay, Calcutta, Singapore, Hong-kong, Yokohama, San-Francisco, New-York, Liverpool, Londen, en waarop men ook kon aanteekenen de gewonnen of verloren uren in elke plaats, die men passeerde. Door dit stelselmatig ingerichte reisboek kon men dus van alles rekenschap geven, en Fogg wist altijd of hij voor of achter was.
Hij schreef heden, woensdag 9 October, zijne aankomst, te Suez, die overeenstemde met de aankomst volgens het plan, en waaruit bleek, dat hij noch uren gewonnen, noch verloren had.
Vervolgens liet hij zijn ontbijt in de hut brengen. Wat de stad betrof, hij dacht er zelfs niet aan om haar te gaan zien, want hij behoorde tot die soort van Engelschen, die het land dat zij doortrekken door hunne bedienden laten bezoeken.
Waarin Passepartout een weinig meer spreekt dan hem misschien wel betaamt.
In weinig oogenblikken had Fix Passepartout ingehaald. Deze liep te slenteren en rond te kijken, want hij voor zich achtte zich niet verplicht om iets te zien.
“Wel, vriend,” zeide Fix, hem aansprekende, “is uw paspoort al geviseerd?”
“O, zijt gij het, mijnheer,” antwoordde de Franschman, “ik dank u nog wel. Alles is in orde.”
“En nu bekijkt gij de stad eens?”
“Ja, maar wij reizen zoo gauw, dat het mij is alsof ik droom. Alzoo zijn wij te Suez?”
“Te Suez.”
“In Egypte?”
“In Egypte, juist.”
“Dus in Afrika.”
“In Afrika?”
“In Afrika!” herhaalde Passepartout. “Ik kan het niet gelooven. Bladzijde 35Verbeeld u eens mijnheer, dat ik niet verder dacht te komen dan Parijs, en die groote hoofdstad heb ik niet weer gezien dan van zeven uur 's morgens tot acht uur veertig, van het noorderstation tot het station van Lyon en dan nog door de raampjes van een rijtuig bij een slagregen! Ja, ik heb er spijt van! Ik had zoo graag Père-Lachaise en het Cirque in de Champs-Elysées nog eens weergezien.”
“Gij hebt dus wel veel haast?” vroeg de inspecteur van politie.
“Ik niet, maar mijn meester. A propos, ik moet nog sokken en hemden koopen! Wij hebben geen koffers bij ons; niets meer dan een valies.”
“Ik zal u naar een winkel brengen, waar gij alles van dien aard kunt vinden.”
“Mijnheer,” antwoordde Passepartout, “gij zijt wezenlijk de hulpvaardigheid zelve.”
Al pratende wandelden zij samen verder.
“Maak vooral dat ik niet te laat aan de boot kom!”
“Gij hebt nog al den tijd,” antwoordde Fix; “het is eerst twaalf uur!”
Passepartout keek op zijn reusachtig horloge.
“Twaalf uur,” zeide hij. “Wel neen! het is negen uur twee en vijftig minuten.”
“Uw horloge loopt achter,” antwoordde Fix.
“Mijn horloge! Een familiestuk dat al van mijn overgrootvader afkomstig is! Het loopt geen vijf minuten in het jaar achter. Het is een echte chronometer!”
“Ik begrijp al hoe het komt,” antwoordde Fix. “Gij hebt uw horloge geregeld naar de londensche klok, die ongeveer twee uur verschilt met die van Suez. Gij moet altijd zorgen uw horloge te regelen naar de hoofdstad van het land, waarin gij u bevindt.”
“Ik! Aan mijn horloge komen!” riep Passepartout uit, “neen dat nooit!”
“Wel, dan zal het ook niet in overeenstemming blijven met de zon.”
“Des te erger voor de zon, mijnheer! Zij is aan het kortste eind!”
En de brave knecht borg met eene fiere beweging zijn horloge weer in zijn vestjeszak.
Eenige oogenblikken daarna begon Fix weer:
“Gij hebt dus Londen zeer overhaast verlaten?”
“Nu, dat geloof ik! Laatstleden woensdag avond tegen acht uur. Tegen alle gewoonten in, kwam mijnheer Fogg op dat uur van zijn club terug en om negen uur waren wij al op weg.”
“En waar gaat u meester dan naar toe?”
“Altijd maar vooruit! Hij maakt de reis om de wereld!”
Bladzijde 36“De reis om de wereld?” herhaalde Fix.
“Ja, in tachtig dagen! Een weddenschap zooals hij beweert, maar onder ons gezegd, geloof ik er niets van. Dat zou toch wat al te dwaas zijn. Er steekt wat anders achter.”
“Zoo; dan is 't een zonderling, die mijnheer Fogg.”
“Dat zou ik denken.”
“Hij is dus rijk?”
“Dat blijkt, en hij neemt een aardig duitje met zich mede, in geheel nieuwe banknoten. Hij ziet ook op geen geld onder weg. Begrijp eens! hij heeft een prachtigen prijs uitgeloofd aan den machinist der Mongolia, als wij vóór den vastgestelden tijd te Bombay aankwamen!”
“En gij zijt al lang bij uw meester?”
“Ik!” antwoordde Passepartout, “ik ben pas den dag van ons vertrek in zijn dienst getreden.”
Men kan gemakkelijk begrijpen welk een indruk deze mededeelingen te weeg brachten op den reeds overspannen geest van den inspecteur van politie.
Dat overijlde vertrek uit Londen even na dien verbazend grooten diefstal, en daarbij de haast om in verafgelegen landen te komen, dat alles onder voorwendsel van een dwaze weddenschap, paste zoo volkomen in elkaar, dat het Fix wel in zijn vermoeden moest versterken. Hij deed den Franschman nog meer vertellen en verkreeg de zekerheid, dat de knecht zijn meester volstrekt niet kende, dat Fogg zeer op zich zelf te Londen leefde, en dat men den gentleman voor rijk hield, zonder te weten waarmede hij zijn rijkdom verkregen had, dat het een raadselachtig man was enz. Maar tegelijkertijd mocht Fix de zekerheid erlangen dat Phileas Fogg niet te Suez aan land ging maar werkelijk naar Bombay reisde.
“Is Bombay nog ver af?” vroeg Passepartout.
“Vrij ver,” antwoordde de inspecteur, “nog ongeveer tien dagen zeereis.”
“En waar ligt Bombay?”
“In Indië.”
“In Azië?”
“Natuurlijk.”
“Lieve hemel! Weet ge ... daar is iets dat mij geweldig hindert ... mijn kraan!”
“Welke kraan?”
“Mijn gaskraan, die ik vergeten heb uit te draaien en die nu voor mijne rekening brandt. Ik heb uitgerekend dat zij in de vier en twintig uren voor twee shillings verbrandt, juist zes stuivers meer dan ik verdien, en gij begrijpt dat zoo de reis lang duurt....”

Liep zij te Steamer-Point binnen. Blz. 43.
Begreep Fix deze mededeeling over het gas? Het is niet waarschijnlijk; Bladzijde 37hij hoorde er ook al niet meer naar, want hij wist nu wat hem te doen stond. Zij waren thans aan den winkel gekomen. Fix liet zijn metgezel binnen gaan om zijne boodschappen te doen, Bladzijde 38en beval hem aan vooral niet te laat aan de Mongolia te komen. Hij zelf snelde toen in allerijl naar het consulaat.
Nu zijne overtuiging vaststond, kreeg Fix weer al zijn koelbloedigheid terug.
“Mijnheer,” zeide hij tot den consul, “thans twijfel ik er niet meer aan: het is de man, dien ik hebben moet. Hij laat zich voor een zonderling doorgaan, die in tachtig dagen de reis om de wereld wil doen.”
“Dan is hij al een heel slimme vogel,” antwoordde de consul, “en hij denkt weer in Londen terug te komen na de politie van de twee werelddeelen van het spoor te hebben geleid.”
“Dat zullen we eens zien,” antwoordde Fix.
“Maar bedriegt ge u niet?” vroeg de consul nogmaals.
“Neen; ik bedrieg mij niet.”
“Waarom zou deze dief er dan op gestaan hebben, om zijne passage te Suez door een visa bewezen te hebben?”
“Ja, waarom, dat weet ik niet, mijnheer de consul,” antwoordde de detective, “maar luister.”
En in korte woorden vertelde hij den hoofdinhoud van zijn gesprek met den bediende van gemelden Fogg.
“Waarlijk,” zeide de consul, “alle vermoedens zijn tegen dien man. En wat gaat gij nu beginnen?”
“Naar Londen seinen, met het verzoek om mij een bevel tot inhechtenisneming te zenden naar Bombay; mij op de Mongolia inschepen, mijn dief tot in Indië volgen, en daar op engelsch grondgebied hem zeer beleefd aan te spreken met mijn bevelschrift in de eene hand en de andere op zijn schouder.”
Na deze woorden vertrok de inspecteur, en begaf hij zich naar het telegraafkantoor. Daar zond hij den inspecteur der hoofdstad de dépêche, die men kent.
Een kwartier later ging Fix met zijne kleine bagage en een goed gevulde beurs aan boord der Mongolia, en de snelle boot stak met volle vaart de Roode Zee over. Bladzijde 39
Waarin de Roode en de Indische Zee de plannen van Phileas Fogg schijnen te begunstigen.
De afstand tusschen Suez en Aden is, precies berekend, dertien honderd tien mijlen, en de Maatschappij staat aan elke mailboot een tijdsverloop van honderd dertig uren toe om dit traject af te leggen. De Mongolia, wier vuur zeer goed onderhouden werd, stoomde altijd met die snelheid om binnen de vastgestelde uren aan te komen.
Bijna alle passagiers waren te Brindisi ingescheept en gingen naar Indië. Sommigen begaven zich naar Bombay, anderen naar Calcutta, maar altijd over Bombay, want sedert een spoorweg de geheele breedte van het indische schiereiland doorsnijdt, is het niet meer noodig de zuidelijke punt Ceylon om te varen.
Onder de reizigers der Mongolia waren verschillende burgerlijke ambtenaren en officieren van allerlei rang. Van dezen behoorden er eenigen tot het eigenlijk gezegde engelsche leger; anderen commandeerden de inlandsche troepen, bestaande uit cipayers. Allen waren hoog bezoldigd, zelfs nu het Gouvernement de rechten en lasten van de voormalige Indische Compagnie heeft overgenomen. Tweede luitenants hadden ƒ 3,500, brigade-generaals ƒ 30,000, generaals ƒ 50,000. De traktementen der burgerlijke ambtenaren zijn nog hooger. De minste ambtenaren hebben ƒ 6,000;—rechters ƒ 30,000, presidenten van gerechtshoven ƒ 125,000, gouverneurs ƒ 150,000, de gouverneur-generaal ƒ 300,000.
Men leefde dus zeer goed aan boord der Mongolia in dezen kring van ambtenaren, waarbij zich nog eenige jonge Engelschen voegden, die een millioen te verteren hadden, en die in verre landen hunne handelskantoren gingen vestigen. De “purser,” de vertrouwde persoon der Compagnie, gelijk in rang met den kapitein, deed alles op groote schaal. Aan het ontbijt, aan den lunch, ten twee uur, aan het middagmaal te half zes, het souper ten acht ure, bogen de tafels bijna onder de schotels warm vleesch en verdere gerechten, die door de slagers en den kok der mailboot geleverd werden. Onder de vrouwelijke passagiers waren er eenige, die tweemaal daags haar toilet veranderden. Men maakte muziek, men danste zelfs, als de zee het veroorloofde. Maar de Roode Zee is grillig en dikwijls zeer onstuimig, zooals alle lange, smalle zeeën. Als de wind, hetzij van den kant van Azië kwam of van Bladzijde 40Afrika, slingerde de Mongolia, het lange stoomschip, geducht, daar zij de zee dwars inkreeg. De dames verdwenen dan in hare hutten, de piano werd niet bespeeld en natuurlijk eindigde dan ook het zingen en dansen. En toch, ondanks al die rukwinden en de deining, zette de mailboot, voortgedreven door haar ontzaglijk groot stoomwerktuig, zonder vertraging de reis naar de straat van Bab-el-Mandeb voort.
Wat deed Phileas Fogg wel gedurende de reis? Men zou denken, dat hij altijd angstig en onrustig zich bezig hield met de veranderingen van den wind, die misschien nadeelig voor zijne reis konden zijn, of eene onverwachte beweging konden veroorzaken, welke de machine gevaar deed loopen onklaar te worden; in één woord met alle mogelijke gebeurtenissen, die de Mongolia konden noodzaken om in een van de havens binnen te loopen, zoodat zijne reis langer zou duren.
Volstrekt niet, of althans in zeer geringe mate. De gentleman dacht wel eens aan zulke mogelijkheden, maar hij bleef altijd de kalme onbeweeglijke man, het onverstoorbare lid der Reform-club, wien geen ongeluk of toeval kon verrassen. Hij scheen niet meer aangedaan dan de chronometer aan boord. Men zag hem zelden op het dek. Hij gaf zich volstrekt geen moeite om de Roode Zee gade te slaan, zoo rijk aan herinneringen, het tooneel van de eerste gebeurtenissen in de geschiedenis der menschheid. Hij ging niet naar boven om de fraaie steden te zien liggen, die gezaaid zijn langs hare oevers, en waarvan de schilderachtige omtrekken zich somtijds tegen den gezichteinder teekenen. Hij droomde zelfs niet van de gevaren van deze arabische golf, waarvan de oude geschiedschrijvers Strabo, Arianus, Arthemidores, Edrisi zooveel akeligheden hebben verhaald en waarop de zeelieden zich nooit waagden zonder door zoenoffers hunne reis te hebben geheiligd.
Wat deed dan toch deze zonderling, die op de Mongolia gevangen zat? Vooreerst gebruikte hij zijn vier dinés daags, zonder dat eenige slingering of schommeling eene zoo goed georganiseerde constitutie in de war kon brengen. En vervolgens whistte hij.
Ja! Hij had partners aangetroffen, die even dol op het spel waren als hij; een ambtenaar der belastingen, die zich weder naar zijn post te Goa begaf, een predikant, den eerwaarden Decimus Smith, die naar Bombay terugkeerde, en een brigade-generaal van het britsche leger, die zijn regiment te Benares opzocht. Deze drie passagiers hadden voor het whisten denzelfden hartstocht als Phileas Fogg, en zij speelden uren lang zonder een woord te spreken.
Wat Passepartout aangaat, die tot nog toe geen last had gehad van zeeziekte, hij was den geheelen dag in zijne hut op de voorplecht, en ook hij at met evenveel lust als zijn meester. Hij zou er het zijne maar van nemen. Goed gevoed, goed gehuisvest, zag Bladzijde 41hij de wereld en hield zich overtuigd, dat al deze dwaasheden te Bombay wel een einde zouden nemen.

Passepartout slenterde volgens gewoonte.... Blz. 43.
Den dag van het vertrek van Suez, den 29en October, ontmoette Bladzijde 42hij tot zijne blijdschap den gedienstigen heer, tot wien hij zich op den afrikaanschen bodem gericht had.
“Als ik mij niet vergis, mijnheer,” zeide hij, met zijn beminnelijksten glimlach Fix aansprekende, “zijt gij dezelfde heer die zoo vriendelijk waart mij te Suez te helpen.”
“Inderdaad,” antwoordde de detective, “ik herken u: gij zijt de bediende van dien zonderlingen Engelschman.”
“Juist...!”
“Ik heet Fix.”
“Mijnheer Fix,” zeide Passepartout. “Ik ben verheugd u hier aan boord weer te vinden. Waar gaat gij naar toe?”
“Wel, evenals gij, naar Bombay.”
“Des te beter. Hebt gij al meer die reis gemaakt?”
“Verscheidene malen,” antwoordde Fix. “Ik ben agent van de Peninsular-Company.”
“Dus zijt gij in Indië bekend?”
“Wel zeker....” antwoordde Fix, die niet te ver wilde gaan.
“En daar is alles zeer merkwaardig?”
“Zeer merkwaardig. Moskeën, minaretten, tempels, fakirs, afgodsbeelden, tijgers, slangen, bayadères! Maar het is te hopen dat gij daar lang genoeg blijft om het land te zien.”
“Ik hoop het, mijnheer Fix. Gij begrijpt dat het toch niet te vergen is van een man met gezond verstand om zijn leven te slijten met over te springen van een boot in een spoortrein en van een spoortrein in een boot, onder voorwendsel de reis om de wereld te maken in tachtig dagen. Ik twijfel er niet aan of al die gymnastiek zal te Bombay wel eindigen.”
“Is mijnheer Fogg welvarend?” vroeg Fix op zijn natuurlijksten toon.
“Zeer welvarend, mijnheer Fix, en ik ook. Ik eet als een wolf, die in langen tijd niets gehad heeft. Het is zeker de zeelucht.”
“Uw meester zie ik nooit op het dek.”
“Neen, nooit. Hij is niet nieuwsgierig.”
“Weet ge wel, mijnheer Passepartout, dat deze beweerde reis om de wereld wel een geheime zending kon verbergen ... bij voorbeeld een diplomatieke missie.”
“Op mijn woord, mijnheer Fix, daar weet ik niets van; dat moet ik u eerlijk bekennen, en het is mij ook geen halve kroon waard om het te weten.”
Na deze ontmoeting spraken Fix en Passepartout nog dikwijls samen. De inspecteur van politie scheen er prijs op te stellen, om met den bediende van den heer Fogg goede vrienden te worden. Dit kon hem bij voorkomende gelegenheid te pas komen. Hij bood hem dan ook dikwijls in de koffiekamer der Mongolia een glas whisky of pale-ale aan, dat de goede jongen altijd zonder eenigen Bladzijde 47omslag aannam en dikwijls ook beantwoordde om geen verplichting te maken; hij vond dien Fix een zeer beleefd gentleman.
Onderwijl ging de mailboot snel vooruit. Den 13en had men Mokka in het gezicht, dat in een ring van verwoeste muren scheen te liggen, waarboven eenige groene dadelboomen. In de verte ontdekte men tegen de bergen de uitgestrekte koffievelden. Passepartout was in verrukking toen hij deze beroemde stad zag, en hij vond zelfs dat zij met hare ronde muren en geslechte vesting, die tot oor moest dienen, veel op een reusachtige kop koffie geleek.
Den volgenden nacht passeerde de Mongolia de straat Bab-el-Mandeb, welke arabische naam beteekent: Poort der Tranen, en den anderen morgen, den 14en liep zij te Steamer-Point ten noordwesten van de reede van Aden binnen. Hier moest zij weder brandstof opdoen.
Een ernstige en belangrijke zaak is de zorg voor de steenkolen der mailbooten, op zulke afstanden van de plaats waar zij worden gedolven. Voor de Peninsular-Company is dit eene jaarlijksche uitgave van acht honderd duizend pond sterling, want men heeft op verscheidene punten in die ver verwijderde zeeën depots moeten vestigen en daar kost het hectoliter kolen veertig gulden.
De Mongolia had nog zestien honderd vijftig mijlen af te leggen vòor zij Bombay bereikte en moest vier uur te Steamer-Point blijven, om haar voorraad in te nemen. Maar dit oponthoud kon aan het programma van Fogg volstrekt geen nadeel doen. Dit alles had men berekend. Daarenboven was de Mongolia, in plaats van in den morgen van den 15en October te Aden te komen, reeds den 14en aldaar gearriveerd. Dit was dus een winst van vijftien uren.
Fogg en zijn bediende gingen nu aan land. De gentleman wilde zijn paspoort laten viseeren. Fix volgde hem onopgemerkt. Toen deze formaliteit afgeloopen was, keerde Phileas Fogg weer naar boord terug, om daar zijn geschorst spel te hervatten.
Passepartout slenterde, volgens gewoonte, door de stad, tusschen Somanlis, Banianen, Perzen, Joden, Arabieren en Europeanen, die de 25,000 inwoners van Aden uitmaken. Hij bewonderde de versterkingen, die deze stad tot een Gibraltar der Indische Zee maken, en de prachtige waterleidingen, waaraan de engelsche ingenieurs, twee duizend jaren na die van koning Salomo, arbeidden.
“Zeer-merkwaardig! zeer merkwaardig!” mompelde Passepartout bij zich zelven, toen hij weer aan boord was. “Ik zie dat het zeer nuttig is om te reizen, wanneer men iets nieuws wil zien.”
Ten zes ure des avonds stoomde de Mongolia weder voort en was spoedig in de Indische Zee. Er waren haar nog honderd acht en zestig uren toegestaan, om den weg van Aden naar Bombay af te leggen. De Indische Zee was haar ook verder zeer gunstig. De wind bleef noord-west. De zeilen kwamen den stoom te hulp. Bladzijde 44
Het schip, dat nu zwaarder belast was, slingerde minder. De passagiers kwamen in nieuwe toiletten op het dek. Het zingen en dansen nam weer een aanvang. De reis werd dus onder de gunstigste omstandigheden volbracht. Passepartout was zeer ingenomen met den aangenamen reisgenoot, dien het toeval hem in den persoon van Fix verschaft had.
Zondag 20 October, tegen 12 uur, kreeg men de indische kust in 't gezicht. Twee uur later kwam de loods aan boord der Mongolia. Aan den horizon teekenden zich de bergen schilderachtig tegen den donkeren hemel af. Weldra zag men de palmen, die boven de stad uitstaken. De mailboot stoomde de haven binnen, welke gevormd wordt door de eilanden Salsette, Colaba, Elephanto en Butcher en ten half vijf lag zij voor de kade van Bombay.
Phileas Fogg had dien dag zijn drie en dertigsten robber gespeeld; zijn partner en hij hadden door vernuftige berekening schlem gemaakt.
De Mongolia moest eerst den 22en October te Bombay aankomen. Zij kwam er den 20en, dus had men sedert het vertrek uit Londen twee dagen gewonnen, wat Phileas Fogg niet naliet terstond in zijn register te vermelden.
Waarin Passepartout maar al te blij is dat hij met het verlies zijner schoenen er af komt.
Iedereen weet dat Indië, deze groote omgekeerde driehoek, wiens basis in het noorden en toppunt in het zuiden gelegen is, een oppervlakte heeft van veertien honderd duizend vierkante mijlen, en een zeer ongelijk verspreide bevolking telt van honderd tachtig millioen inwoners. Het britsche Gouvernement oefent onbepaald gezag uit over een zeker gedeelte van dit onmetelijke land, en heeft te Calcutta een gouverneur-generaal, als ook gouverneurs te Madras, Bombay en Bengalen en een luitenant-gouverneur te Agra.

Wierp hij twee tegenstanders op den grond.... Blz. 50.
Maar eigenlijk Engelsch-Indië heeft niet meer dan een oppervlakte van zeven honderd duizend vierkante mijlen, met een bevolking van honderd a honderd tien millioen inwoners. Daaruit blijkt Bladzijde 45genoegzaam, dat de koningin over een aanzienlijk deel van dit grondgebied niet regeert, en inderdaad, de woeste en geduchte hindoesche rajahs in het binnenland zijn nog geheel onafhankelijk. Bladzijde 46
Sedert 1576—toen de eerste engelsche kolonie gesticht werd op de plek waar het tegenwoordige Madras ligt—tot het jaar, waarin onder de Cipayers een groote opstand plaats had, was de beroemde Indische Compagnie alvermogend. Zij annexeerde langzamerhand de verschillende provinciën, die zij van de rajahs kocht tegen renten, welke zij niet of bijna niet betaalde; zij stelde haren gouverneur-generaal en alle verdere ambtenaren in burgerlijke of militaire betrekkingen aan; maar nu is zij te niet gegaan, en de engelsche bezittingen in Indië behooren rechtstreeks aan de kroon.
Het karakter des lands, de zeden, de ethnographische indeeling van dit uitgestrekte schiereiland wijzigen zich elken dag. Voorheen reisde men er met verschillende ouderwetsche vervoermiddelen, te paard, te voet, met karren, kruiwagens, draagstoelen, op den rug van bedienden, in koetsen enz. Thans zijn het stoombooten, die met groote snelheid den Indus en den Ganges bevaren, terwijl een spoorweg Indië in zijne geheele breedte doorsnijdt en zich in verschillende takken splitst, zoodat Bombay en Calcutta slechts drie dagen van elkaar verwijderd zijn.
De spoorweg doorsnijdt Indië niet in eene rechte lijn; de afstand hemelsbreed is niet meer dan duizend of elf honderd mijlen en de treinen, die slechts met een matige snelheid rijden, zouden geen drie dagen noodig hebben om het van het eene einde naar het andere einde over te steken; maar deze afstand wordt wel een derde grooter door de bocht over Allahabad, dat in het noorden van het schiereiland is gelegen.
Ziehier in het kort de richting van den Great Indian Peninsular Railway. Wanneer hij het eiland Bombay verlaat, passeert hij Salsette, komt op het vasteland juist tegenover Tannah, doorsnijdt het oostelijk gedeelte van de bergketen Ghâtes, strekt zich vervolgens naar het noorden uit tot aan Burhampore, slingert zich door het nagenoeg onafhankelijke landschap van Bundelkund, buigt zich tot Allahabad en dan naar het oosten, ontmoet daar den Ganges bij Benares, verwijdert er zich een weinig van, om vervolgens weder door het zuid-oosten over Burdivan en de fransche stad Chandernagor te Calcutta te eindigen.
Het was 's namiddags half vijf toen de Mongolia te Bombay aankwam, en de trein naar Calcutta vertrok precies om acht uur.
Mijnheer Fogg nam dus van zijne medespelers afscheid, verliet de mailboot, gaf aan zijn bediende eenige inlichtingen omtrent boodschappen, die deze te doen had, en beval hem zeer uitdrukkelijk aan om vooral vóór acht uur aan het station te wezen; en met zijn gelijkmatigen tred, den slinger van een klok gelijk, begaf hij zich naar het bureel voor de paspoorten.
Te Bombay dacht hij er evenmin aan om iets te gaan zien Bladzijde 47van de wonderen, noch het stadhuis, noch de prachtige bibliotheek, noch de vesting, noch de dokken, noch de katoenmarkt, noch de winkels, noch de moskeeën, noch de synagogen, noch de armenische kerken, noch den prachtigen afgodstempel van Malabar-hill, versierd met zijne twee veelhoekige torens. Hij bezichtigde ook niet de meesterstukken van ivoor, noch die geheimzinnige onderaardsche begraafplaatsen, welke aan de zuid-oostzijde der reede verborgen zijn, noch de kanherische grotten op het eiland Salsette, bewonderenswaardige overblijfselen der boeddhistische bouwkunde. Niets van dat alles. Toen hij van het bureel der paspoorten terugkwam, begaf Phileas Fogg zich bedaard naar het station en ging daar dineeren. Onder de verschillende gerechten prees de kastelein hem zeer aan een ragout van inheemsche konijnen, die uitstekend moest wezen.
Phileas Fogg bestelde zulk een konijnenragout, proefde dien zeer nauwkeurig, maar ondanks zijne gekruide saus, vond hij hem afschuwelijk.
Hij liet den logementhouder komen.
“Mijnheer,” zeide hij, hem strak aanziende, “is dat konijn?”
“Ja, mylord,” antwoordde deze zonder blikken of blozen.
“En het heeft niet gemauwd, toen men het doodde?”
“Gemauwd! Maar! mylord! een konijn! Ik bezweer u....”
“Mijnheer de logementhouder,” hernam Phileas Fogg koel, “zweer niet, maar herinner u slechts dit: vroeger werden de katten in Indië als heilige dieren beschouwd. Dat was een goede tijd.”
“Voor de katten, mylord?”
“En ook voor de reizigers.”
Toen Fogg deze opmerking gemaakt had, vervolgde hij rustig zijn diner.
Eenige oogenblikken na den heer Fogg, kwam ook de inspecteur Fix, die eveneens de Mongolia verlaten had, bij den directeur van politie te Bombay. Hij maakte zich als detective bekend, alsmede de zending waarmede hij belast was, en zijn toestand tegenover den vermoedelijken dief. Toen vroeg hij of men een bevel tot inhechtenisneming ontvangen had?
Men had niets ontvangen. Ook kon dat bevel nog niet zijn aangekomen, daar het eerst na Fogg moest zijn afgezonden.
Fix was zeer teleurgesteld. Hij vorderde van den directeur een bevel tot inhechtenisneming van den heer Fogg. De directeur weigerde. De zaak betrof de politie in de hoofdstad en deze alleen kon dus ook het bevel uitvaardigen. Deze vastheid van beginselen, deze strenge inachtneming der wet is zeer verklaarbaar door de engelsche zeden, die, in zake van persoonlijke vrijheid, volstrekt geen willekeur toelaten.
Fix drong er ook niet meer op aan, en begreep dat hij het bevel Bladzijde 48tot inhechtenisneming moest afwachten. Maar hij besloot toch zijn geheimzinnigen schurk niet uit het oog te verliezen, zoolang deze te Bombay vertoefde. Hij twijfelde er niet aan of Phileas Fogg zou eenige dagen te Bombay blijven,—men weet, dit was ook Passepartout's overtuiging—zoodat het bevel van inhechtenisneming nog altijd vroeg genoeg zou aankomen.
Maar na de laatste bevelen, die zijn meester hem gegeven had, toen hij de Mongolia verliet, begreep Passepartout wel, dat het te Bombay evenzoo zou gaan als te Suez en te Parijs: dat de reis hier niet zou eindigen en zij ten minste nog tot Calcutta zou worden voortgezet en misschien nog wel verder. Hij begon zich dan ook af te vragen of die weddenschap niet ernstig was gemeend en of het noodlot hem niet medesleepte—hem die zoo rustig hoopte te leven—om een reis om de wereld te maken in tachtig dagen.
In afwachting wandelde hij na eenige hemden en sokken gekocht te hebben, de straten van Bombay eens door. Er heerschte groote drukte, en te midden van Europeanen van elken landaard, zag hij Perzen met puntige mutsen, Bunhyas met ronde tulbanden, Armeniërs met lange kleederen, Parsis met zwarte bisschopsmutsen enz. Het was juist het feest, gevierd door de Parsis of Goeboes die rechtstreeks afstamden van de volgelingen van Zoroaster, welke de meest nijvere, beschaafde, ontwikkelde en aan hun landaard getrouwe Hindoes zijn en tot welk ras de rijkste kooplieden onder de inboorlingen van Bombay behoorden. Dien dag vierden zij een soort van godsdienstig carnaval met optochten en allerlei vermakelijkheden, waarbij ook bayadères tegenwoordig waren in rooskleurige tulle gekleed, behangen met goud en zilver, en die op de tonen der viool en van den tam-tam bewonderenswaardig dansten, ofschoon zij geen oogenblik de regelen der welvoegelijkheid overschreden. Het zal wel overbodig zijn te zeggen, dat Passepartout deze merkwaardige plechtigheden beschouwde met wijd opengespalkte oogen en ooren om des te beter te zien en te hooren, en dat zijne houding en zijn gelaat volkomen geleken op die van een kind, dat pas kwam kijken.
Ongelukkig voor hem en voor zijn meester, wiens reis hij dreigde in gevaar te brengen, dreef hem zijne nieuwsgierigheid verder dan hem wel betaamde.

De rookwolken slingerden zich spiraalsgewijze. Blz. 54.
Wel begaf Passepartout, na dit carneval der Parsis nog eenigen tijd te hebben aanschouwd, zich naar het station, maar toen hij het prachtige afgodsbeeld van Malabarhill voorbij ging, rees het noodlottige plan bij hem op, om het inwendige ook eens te bezichtigen. Twee dingen waren hem evenwel geheel onbekend: ten eerste dat de toegang tot sommige hindoesche afgodstempels den christen verboden is, en ten tweede, dat de geloovigen er zelven Bladzijde 49niet mogen ingaan zonder hunne schoenen aan de deur uit te doen. Men moet hierbij opmerken, dat het engelsche Gouvernement, om politieke redenen, den godsdienst van dit land eerbiedigt en Bladzijde 50tot in de kleinste bijzonderheden koel doet eerbiedigen, en dat een ieder, die deze regels overtreedt, streng gestraft wordt.
Passepartout, die volstrekt geen kwaad vermoedde en als een onnoozel reiziger het inwendige van Malabar-hill met zijn verblindende brahmaansche versierselen van klatergoud bewonderde, werd plotseling op de geheiligde steenen geworpen. Drie priesters snelden in vreeselijke woede naar hem toe, trokken hem zijne schoenen en kousen uit en begonnen hem duchtig te slaan, waarbij zij onverstaanbare kreten deden hooren.
Maar de vlugge en sterke Franschman was met een sprong weder op de been, en met een stomp en een schop wierp hij twee van zijne tegenstanders op den grond, die erg in hun lange kleederen verward geraakten, waarop hij zoo gauw hij kon den tempel uitliep, zoodat hij al spoedig den anderen Hindoe vooruit was, die hem was nageloopen en het volk op hem aanhitste.
Vijf minuten voor achten, dus slechts eenige minuten voor het vertrek van den trein, kwam Passepartout, blootshoofd, barrevoets, in de verwarring zijn pakje met boodschappen verloren hebbende, aan het station van den Great Indian Peninsular Railway.
Toen Fix aan de aanlegplaats kwam, was hij Fogg gevolgd naar het station. Hij begreep dat de schurk Bombay ging verlaten. Hij had terstond zijn plan gevormd en wel om hem te volgen tot Calcutta en, zoo het noodig was, nog verder. Passepartout zag Fix niet, daar deze zich schuil hield, maar Fix hoorde Passepartout zijn lotgevallen in korte woorden aan zijn meester vertellen.
“Ik hoop dat dit u niet meer gebeuren zal,” antwoordde Fogg bedaard, en nam plaats in een der waggons.
De arme knecht volgde met bloote voeten en nog geheel verslagen, zonder een woord te spreken, zijn meester. Fix ging in een anderen waggon, toen eensklaps een gedachte hem weerhield en zijn plan van vertrek wijzigde.
“Neen,” zeide hij, “ik blijf: een vergrijp op het engelsch grondgebied.... Ik heb mijn man.”
Op dit oogenblik deed de locomotief een schel gefluit hooren en de trein verdween in de duisternis. Bladzijde 51
Waarin Phileas Fogg voor een ongeloofelijken prijs eene reisgelegenheid aanschaft.
De trein was op het uur vertrokken, dat door het reglement was bepaald. Hij voerde een zeker aantal reizigers mede, eenige officieren, burgerlijke ambtenaren en kooplieden in opium en indigo, die zich om handelszaken naar het oostelijk gedeelte van het schiereiland begaven.
Passepartout was in denzelfden coupé gezeten als zijn meester. In een anderen hoek zat een derde reiziger. Deze was de brigade-generaal Francis Cromarty, een der whistspelers op de reis van Suez naar Bombay, die zich naar zijne troepen te Benarès begaf.
De heer Francis Cromarty was een lang, blond man van vijftig jaar ongeveer, die zich bijzonder onderscheiden had tijdens den opstand der cipayers en voor een inboorling kon doorgaan. Van zijne vroegste jeugd af had hij in Indië geleefd en slechts zelden had hij zich in het moederland vertoond. Hij was een zeer geleerd man, die volgaarne allerlei merkwaardige bijzonderheden zou hebben medegedeeld omtrent de gewoonten, de geschiedenis en het bestuur van Indië, indien Phileas Fogg de man ware geweest om hem die te vragen. Maar deze vroeg niets. Fogg reisde niet, hij beschreef slechts een omtrek. Hij was een vast lichaam, een kring beschrijvende rondom den aardbol, volgens de wetten der werktuigkunde. Op dit oogenblik berekende hij bij zichzelven hoeveel uren hij sedert zijn vertrek uit Londen had afgelegd en hij zou zich in de handen hebben gewreven, indien het in zijn aard gelegen had zulk eene nuttelooze beweging te maken.
De heer Francis Cromarty had de zonderlingheid van zijn reisgezel zeer goed opgemerkt, al had hij hem slechts kunnen bestudeeren met de whistkaarten in de hand. Hij had dus recht te vragen of er een menschelijk hart klopte onder dit koude omhulsel, of Phileas Fogg een gemoed had, vatbaar voor de schoonheden en voor zedelijke natuur. Voor hem was dit nog twijfelachtig. Van alle zonderlingen, die de generaal ontmoet had, was er geen een te vergelijken met dit voortbrengsel der wiskundige wetenschappen.
Philias Fogg had tegenover den heer Francis Cromarty geen geheim gemaakt van zijne reis om de wereld noch van de voorwaarden, waaronder hij die volbracht. De generaal zag in die Bladzijde 52weddenschap slechts eene buitensporigheid zonder nut, waaraan vooral ontbrak het “rond gaan goeddoende”, dat elk redelijk man moet bezielen. Zooals deze gentleman reisde, ging hij bepaald rond zonder iets te doen, voor zich zelven zoo min als voor anderen.
Een uur nadat hij Bombay had verlaten, had de trein de viaducts gepasseerd, het eiland Salsette doorsneden en volgde hij den weg over het vasteland. Bij het station Callian liet hij rechts den tak liggen die over Kandallah en Pounah naar het zuidoosten van Indië loopt, en bereikte hij het station Pauwell. Daar drong hij het oostelijk Ghates-gebergte met zijne vele ketenen binnen, waarvan de onderste zijden van basalt zijn gevormd en de kruinen met dennenbosschen zijn begroeid.
Van tijd tot tijd wisselden Phileas Fogg en Francis Cromarty een enkel woord. Op dit punt vatte de generaal het gesprek weder op, dat telkens afgebroken was en zeide:
“Vóor eenige jaren, mijnheer Fogg, zoudt gij op deze plek een oponthoud hebben gevonden, dat uwe reis onmogelijk had gemaakt.”
“Waarom, mijnheer Francis?”
“Omdat de trein ophield aan den voet van dit gebergte, dat men in een palankijn of op een bergpaard had moeten oversteken tot het station Kandallah op de tegenover liggende helling.”
“Dit oponthoud zou volstrekt geen beletsel zijn geweest voor het nakomen van het programma mijner reis,” antwoordde Fogg; “ik heb wel degelijk op eenige hinderpalen gerekend.”
“Intusschen, mijnheer Fogg,” hervatte de generaal, “hebt gij toch gevaar geloopen u eene groote moeielijkheid op den hals te halen door dat avontuur van uw bediende.”
Passepartout, die zijne voeten onder zijn reisdeken had verborgen, sliep gerust en dacht er niet aan dat het gesprek hem gold.
“Het engelsch gouvernement,” ging sir Francis voort, “is zeer streng, en terecht, voor zulke overtredingen. Het stelt er boven alles prijs op, dat men de zeden en den godsdienst der Hindoes eerbiedigt en als men uw bediende gevangen genomen had....”
“Welnu, als hij gevangen was genomen,” antwoordde Fogg, zou hij veroordeeld zijn en zijne straf hebben ondergaan en daarna weder rustig naar Europa zijn teruggekeerd. Ik zie volstrekt niet in, in welk opzicht dit de reis van zijn meester had kunnen vertragen.”
Daarop hield het gesprek weder op. Gedurende den nacht trok men het Ghates-gebergte door en kwam men te Nassik aan. Den volgenden morgen, 21 October, doorsneed men een betrekkelijk vlak land, door het grondgebied van Khandeish gevormd. De welbebouwde streek was bezaaid met dorpen, waarboven de minaret der pagode de plaats innam van den kerktoren in Europa. Tallooze Bladzijde 53beken, voor het meerendeel uitloopende in de Godavery, besproeiden deze vruchtbare vlakte.

Daar stonden zij tegenover een half getemden olifant. Blz. 58.
Toen Passepartout ontwaakte en om zich heen zag, kon hij zich Bladzijde 54niet voorstellen dat hij in een trein van den Great-Peninsular-Railway het land der Hindoes dwars doorsneed. Het scheen hem ondenkbaar toe en toch was het maar al te waar. De locomotief door een britschen machinist bestuurd en gestookt met engelsche steenkolen stootte hare rookwolken uit, die langzaam nedersloegen op de katoen-, tabaks-, muskaat-, kruidnagel- en peper-plantages. Zij slingerden zich spiraalsgewijze om de groepen palmboomen, waartusschen men de schilderachtige bungalows ontwaarde, alsmede eenige viharis, eene soort van verlaten kloosters en prachtige tempels, bedekt met de rijke ornamenten der indische bouwkunde. Dan weder waren het vlakten, die zich tot den horizon uitstrekten, begroeide moerassen waarin slangen en tijgers huisden, welke verschrikt de vlucht namen voor het dreunen van den trein en eindelijk bosschen, die door den spoorweg waren doorsneden en waarin de olifanten met peinzenden blik de wagens gadesloegen, welke in toomelooze vaart voorbij snelden.
Na het station Mallegaum te hebben aangedaan, passeerden de reizigers die noodlottige streek wier bodem zoo vaak gedrenkt was met het bloed, door de volgelingen der godin Kali vergoten. Niet ver van daar verhieven zich Ellora en zijne bewonderenswaardige pagoden en verder het beroemde Aurengabad, de hoofdplaats van den wreeden Aurengzeba, dat thans de onbeduidende hoofdplaats is van een der afgelegen provinciën van het rijk Nizam. Hier was het, dat Feringha, het hoofd der Thugs, de koning der worgers, zijne heerschappij uitoefende. Die moordenaars vormden eene geheime vereeniging, welke ter eere van de godin van den Dood, haar menschen van elken leeftijd offerden zonder bloed te vergieten en er was een tijd, dat men geen plek vond, waaronder niet een lijk was begraven. Het Britsche Gouvernement heeft deze moorden wel in aanzienlijke mate kunnen beteugelen, maar het vreeselijk genootschap bestaat toch nog en heeft niet opgehouden te werken.
Ten half een hield de trein stil aan het station van Burhampore; daar kon zich Passepartout tegen zeer hoogen prijs een paar schoenen koopen, bezet met valsche paarlen, die hij met een onverholen gevoel van ijdelheid aantrok.
De reizigers ontbeten in allerijl en zetten de reis voort naar het station van Assurghur, na eerst een poos lang den oever te hebben gevolgd van de Tapy, eene kleine rivier, welke in de golf van Cambaye stort, in de nabijheid van Surate.
Het is hier de geschikte plaats om mede te deelen wat er in den geest van Passepartout omging. Tot aan zijne komst te Bombay had hij geloofd en had hij kunnen gelooven, dat daarmede de zaak zou zijn afgeloopen. Maar sedert hij in volle vaart Indië doorkliefde, had er eene omkeering in zijn geest plaats gehad. Zijn natuurlijke aanleg was weder geheel bovengekomen. De phantastische Bladzijde 55denkbeelden zijner jeugd herleefden in hem en hij geloofde in ernst aan de plannen van zijn meester; hij geloofde aan het wezenlijk bestaan van de weddenschap en dus ook aan die reis om de wereld en aan het maximum van tijd, dat niet mocht worden overschreden. Reeds begon hij zich ongerust te maken over een mogelijk oponthoud, over ongelukken, die hun onderweg konden overkomen. Het was of hij zelf belang had in die weddenschap en hij sidderde bij de gedachte, dat hij zelf de verwezenlijking in gevaar had kunnen brengen door zijne onvergeeflijke nieuwsgierigheid. Hij was dan ook veel onrustiger dan Fogg, wiens flegmatiek karakter hem niet ten deel was gevallen. Hij telde en telde nogmaals de dagen, die waren verloopen, verwenschte de halten van den trein, die hij van traagheid beschuldigde, terwijl hij er in zijn binnenste Fogg een verwijt van maakte, dat hij geen premie aan den machinist had uitgeloofd. De goede man wist niet, dat wat mogelijk is op eene mailboot, niet mogelijk is op eene spoortrein, waarvan de snelheid door het reglement wordt bepaald.
Tegen den avond kwam men in de engte van het Sutpore gebergte dat het grondgebied van Khandeish scheidt van dat van Bundelkund. Den anderen morgen, 22 October, toen de heer Francis Cromarty vroeg hoe laat het was, raadpleegde Passepartout zijn horloge en antwoordde, dat het drie uren in den morgen was. Dat beroemde horloge, nog altijd geregeld naar den meridiaan over Greenwich, dat zeven en zestig graden westelijker ligt, liep vier uren achter en moest ook vier uren achterloopen.
Sir Francis herleidde dus het uur door Passepartout opgegeven tot den werkelijken tijd en maakte hem dezelfde opmerking als reeds vroeger Fix had gemaakt. Hij trachtte hem aan het verstand te brengen, dat hij zijn uurwerk regelen moest naar elken nieuwen meridiaan, en dat, wanneer hij altijd oostelijk voorttrok, dus met de zon mede, de dagen zooveel maal vier minuten korter waren als men graden doorliep. Maar het baatte niet. Of de koppige knecht den generaal al of niet begreep, zeker is het dat hij er bij volhardde om zijn horloge niet vooruit te zetten en het onveranderlijk op den londenschen tijd hield. Het was trouwens een onschuldige manie, waarbij niemand schade kon hebben.
Des morgens ten acht ure