The Project Gutenberg EBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond by Jules Verne This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond Volume 2 (of 2) Author: Jules Verne Release Date: March 1, 2004 [EBook #11393] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team Jules Verne. 20.000 Mijlen onder Zee Westelijk Halfrond. INHOUD. XXV. De Indische Oceaan. XXVI. Een nieuw voorstel van Kapitein Nemo. XXVII. Een parel van vijf millioen. XXVIII. De Roode Zee. XXIX. De Arabische Tunnel. XXX. De Grieksche Archipel. XXXI. Door de Middellandsche Zee in twee dagen. XXXII. De Golf van Vigo. XXXIII. Een verdwenen land. XXXIV. Onderzeesche kolenmijnen. XXXV. De Krooszee. XXXVI. Potvisschen en walvisschen. XXXVII. De ijsbank. XXXVIII. De Zuidpool. XXXIX. Ongeluk of toeval. XL. Geen lucht. XLI. Van Kaap Hoorn naar de Amazonenrivier. XLII. De inktvisschen. XLIII. De Golfstroom. XLIV. 47° 24' N.B. en 17° 28' O.L. XLV. Een zoenoffer. XLVI. De laatste woorden van Kapitein Nemo. XLVII. Besluit. HOOFDSTUK XXV De Indische Oceaan. Thans begint het tweede gedeelte mijner onderzeesche reis. Het eerste eindigt met het aangrijpend tooneel op het kerkhof, dat zulk een diepen indruk op mijn geest maakte. Zoo ging dus het leven van kapitein Nemo in die onmetelijke zee voorbij, en zelfs had hij zich een graf bereid in den ontoegankelijken afgrond. Daar zou zelfs geen enkel zeemonster den laatsten slaap storen van de mannen van den Nautilus, van de vrienden, die zoowel in het leven als in den dood innig aan elkander verbonden waren! "zelfs buiten het bereik der menschen," had de kapitein er bijgevoegd! Altijd dat vreeselijk, onverzoenlijk wantrouwen jegens de menschelijke maatschappij! Ik voor mij vergenoegde mij niet meer met de door Koenraad gemaakte veronderstellingen. De brave jongen zag in den gezagvoerder van den Nautilus slechts een van die miskende geleerden, die de menschheid enkel met verachting voor haar onverschilligheid betalen. Hij beschouwde hem nog als een onbegrepen vernuft, dat het bedrog der wereld moede, naar die ontoegankelijke oorden gevlucht was, waar zijn vernuft vrije speling had. Volgens mijn meening verklaarde die veronderstelling slechts één van Nemo's karaktertrekken. Ik meende evenwel andere reden voor zijn gedrag en zijn karakter te vinden in het geheimzinnige van den laatsten nacht, toen wij in onze gevangenis door slaap overmand lagen, in zijn zoo driftig genomen voorzorg om mij den kijker voor het oog weg te rukken, omdat ik den gezichteinder wilde onderzoeken, in de doodelijke wond van dien matroos, door een onverklaarbaren schok van den Nautilus veroorzaakt. Neen, kapitein Nemo ontvluchtte niet alleen de menschen! Zijn vreeselijk vaartuig diende niet alleen om hem geheel onafhankelijk te maken, maar misschien ook om--ik weet niet welke--verschrikkelijke wraak uit te oefenen. Op dit oogenblik is mij alles nog niet recht duidelijk; ik zie in deze duisternis maar enkele flikkeringen; en ik moet mij tevreden stellen met het opschrijven mijner denkbeelden onder den indruk der verschillende gebeurtenissen. Bovendien bindt ons niets aan kapitein Nemo. Hij weet dat wij den Nautilus onmogelijk kunnen ontvluchten. Wij zijn zelfs niet op ons woord van eer gevangen. Geen belofte bindt ons aan hem. Wij zijn slechts gevangenen, die onder den schijn van beleefdheid als gasten behandeld worden. Ned Land heeft echter de hoop niet opgegeven om de vrijheid terug te krijgen. Zeker zal hij gebruik maken van de eerste gelegenheid de beste, die het toeval hem aanbiedt. Zonder twijfel zal ik zijn voorbeeld volgen. En toch zal ik niet zonder eenig leedwezen datgene met mij nemen, wat de edelmoedigheid van den kapitein ons van de geheimen van den Nautilus heeft laten doorgronden. Moet ik dien man haten of bewonderen? Is hij slachtoffer of beul? En dan zou ik, om openhartig te spreken, vóór ik hem verliet, gaarne die onderzeesche reis om de aarde volbrengen, waarvan het begin zoo schoon is geweest. Ik zou gaarne al de wonderen aanschouwen, die de wereldzeeën voor ons verborgen houden. Ik zou willen gezien hebben wat niemand nog heeft aanschouwd, zelfs al moest ik met mijn leven dien onleschbaren dorst naar kennis betalen! Wat heb ik tot nog toe ontdekt? Niets of bijna niets, want wij hebben nog maar 24000 kilometer door den Grooten Oceaan afgelegd! Echter weet ik wel dat de Nautilus het bewoonde land nadert, en dat, als zich eenige kans op ontvluchten voordoet, het wreed zou zijn mijn makkers aan mijn zucht naar het onbekende op te offeren. Ik zal hen moeten volgen, misschien zelfs wel geleiden. Maar zal die gelegenheid zich ooit voordoen? De mensch, die door geweld van vrijen wil beroofd is, verlangt dit wel, doch de geleerde, de weetgierige vreest het. Dien dag, 21 Januari 1868, kwam de eerste stuurman om twaalf uur zonshoogte nemen. Ik ging op het plat, stak een sigaar op, en volgde zijn berekening. Het kwam mij als vrij zeker voor, dat die man geen Fransch verstond, want ik maakte verscheiden malen luide eenige aanmerkingen, die onwillekeurig zijn aandacht hadden moeten trekken, als hij ze begrepen had, doch hij bleef ongevoelig en deed er het zwijgen toe. Terwijl hij met den sextant bezig was, kwam een der matrozen, dezelfde stevige zeebonk, die ons op onzen eersten onderzeeschen tocht bij het eiland Crespo vergezeld had, de glazen van de lantaarn schoonmaken. Ik beschouwde toen zeer nauwkeurig de inrichting van dit werktuig, welks werking vierhonderdvoudigd werd door ringvormige lenzen, die evenals de glazen op vuurtorens gesteld waren, en daardoor het licht in de vereischte richting deden schijnen. De electrische lamp was zoodanig ingericht, dat zij zoo krachtig mogelijk werkte. Het licht toch schitterde in het luchtledige, waardoor tegelijkertijd regelmatigheid en helderheid bevorderd werd; bovendien werden daardoor de koolspitsen gespaard, waartusschen zich de lichtstraal vertoonde; dit was voor den kapitein een belangrijke zuinigheidsmaatregel, daar hij die stukken graphiet niet gemakkelijk had kunnen vernieuwen. Onder deze omstandigheden echter sleten ze bijna in het geheel niet. Toen de Nautilus op het punt was den tocht onder zee te volgen, ging ik naar den salon. Het luik werd gesloten, en onze richting was recht naar het Westen. Wij doorkliefden toen de golven van den Indischen Oceaan, die een oppervlakte van 550 millioen hectaren beslaat, en wiens water zoo helder is, dat men er duizelig van wordt, als men daarin neerkijkt. De Nautilus dreef gewoonlijk tusschen honderd en tweehonderd meter diepte. Dit duurde zoo eenige dagen. Voor iemand, die niet zooals ik ontzaglijk veel van de zee hield, zouden de uren langzaam en eentonig zijn voorbijgegaan; maar die dagelijksche wandelingen op het plat, waar wij de verfrisschende lucht van den Oceaan inademden, het schouwspel van de rijkbevolkte zee door het glas van den salon, het lezen van boeken uit de bibliotheek, het aanhouden van mijn dagboek, dat alles hield mij steeds bezig, en liet mij geen oogenblik verveling gevoelen. Onze gezondheid bleef zeer goed. De leefregel aan boord beviel mij wel, en ik voor mij zou aan Ned Land gaarne al die veranderingen geschonken hebben, die hij bij wijze van verzet dagelijks op onze spijskaart verzon. Bovendien behoefden wij in al die gelijkmatige temperatuur zelfs geen verkoudheid te vreezen. Gedurende verscheidene dagen zagen wij een groote menigte zeevogels, een soort van meeuwen. Eenige er van werden zeer behendig gedood, en leverden, goed klaar gemaakt, ons een voortreffelijk waterwild op. Onder de grootste vogels, die zich ver van liet land wagen, en als zij te moe zijn om te vliegen op het water uitrusten, zag ik prachtige albatrossen, die een leelijk geschreeuw doen hooren, dat veel heeft van het balken van een ezel. Ook zag ik vlugge fregatvogels, die snel de visschen uit het water ophaalden, en een groot aantal schoone zeeduiven, wier witte met rozenrood getinte vederen het gitzwart der vleugels des te beter deden uitkomen. De netten van den Nautilus haalden verscheiden soorten van zeeschildpadden op, wier schaal voor zeer kostbaar wordt gehouden. Die kruipende dieren duiken gemakkelijk onder water, en kunnen lang onder blijven, als zij de vleezige klep maar sluiten, welke zij aan het einde van den neus hebben. Sommige van die dieren sliepen nog toen men ze ving, en waren in hun schild gedoken om daardoor veilig te zijn tegen andere zeedieren. Hun vleesch smaakte over het algemeen slechts middelmatig, doch de eieren waren een uitgezochte lekkernij. De visschen wekten voortdurend onze bewondering, als wij de geheimen van hun leven door de geopende wanden van den salon bespiedden. Ik zag verscheiden soorten, die ik tot nog toe niet had opgemerkt. Van 21 tot 23 Januari liep de Nautilus met een vaart van tweeen twintig kilometer. Indien wij de onderscheiden soorten van visschen goed konden waarnemen, was dit, omdat zij door het electrisch licht aangetrokken, ons zochten bij te houden. De meesten bleven achter, sommigen echter bleven geruimen tijd in ons zog. Den 24sten 's morgens zagen wij op 12° 5' Z.B. en 94° 33' O.L. het koraleneiland Keeling, waarop prachtige kokospalmen groeiden, en dat door Darwin en kapitein Fits-Roy bezocht werd. De Nautilus ging op kleinen afstand dit onbewoonde eiland voorbij. Onze netten haalden onderscheiden soorten van poliepen, stekelhuidige en schelpdieren op, waarvan enkele de kostbare verzameling van kapitein Nemo verrijkten. Weldra verdween het eiland aan den gezichteinder, en het vaartuig richtte zich naar het noordwesten, naar het Indische schiereiland. "Bewoond land," zei mij Ned Land, "is beter dan die eilandjes van Australië, waar men meer wilden dan reebokken ziet. Daar in Indië, mijnheer, zijn straat- en spoorwegen, Engelsche, Fransche en Hindoesteden. Men behoeft geen vijf kilometer te loopen om een landgenoot te ontmoeten. Zeg eens, zou het oogenblik niet gekomen zijn om bakzeil te trekken?" "Neen, Ned, neen," antwoordde ik op stelligen toon. "Laat ons meevaren; de Nautilus nadert het bewoonde land; zij zal ook naar Europa gaan, laat hij ons daarheen brengen. Als wij eens in onze zeeën zijn gekomen, zullen wij zien wat de voorzichtigheid ons zal aanraden. Overigens geloof ik niet dat kapitein Nemo ons zal toestaan om op de kust van Malabar of Coromandel te gaan jagen, zooals in de bosschen van Nieuw-Guinea." "Welnu, mijnheer, kan men dit niet zonder zijn vergunning doen?" Ik antwoordde niet, omdat ik met den Amerikaan niet wilde redetwisten. Eigenlijk verlangde ik vurig om ten einde toe al datgene te genieten, wat het lot mij wilde schenken, toen het mij aan boord van den Nautilus gebracht had. Van het eiland Keeling af begonnen wij minder snel te loopen; de gang van het vaartuig was veel grilliger, daar wij soms tot op groote diepten afdaalden. Wij gingen zóó tot op een diepte van twee of drie kilometer, zonder ooit te onderzoeken, hoe diep die Indische zee wel was, welker bodem een schietlood van dertien kilometer lengte niet had kunnen bereiken. Wat de temperatuur dier diepten aangaat, deze was volgens den thermometer altijd onveranderd vier graden boven nul. Alléén merkte ik op, dat het water op minder diepen bodem altijd kouder was. Den 25sten Januari was de zee geheel verlaten; de Nautilus dreef den ganschen dag aan de oppervlakte en joeg het water met zijn krachtige schroef eenige voeten omhoog. Wie zou het vaartuig onderzulke omstandigheden niet voor een reusachtige zeemonster hebben gehouden? Ik bracht drie vierde van dien dag door op het plat, om de zee te beschouwen. Ik zag niets aan den gezichteinder, behalve tegen vier uur in den middag, toen ik een groote stoomboot in westelijke richting zag voortstoomen. Een oogenblik kon ik de masten zien, doch men kon aan boord van die boot den Nautilus niet gewaar worden, omdat hij bijna gelijk met het water dreef. Ik dacht dat deze boot aan de Peninsular and Oriental Company behoorde, die den dienst verricht tusschen Ceylon en Sidney, en Melbourne aandoet. Tegen vijf uur 's avonds, even vóór de korte schemering, die in de keerkringsstreken dag en nacht bijna onmiddellijk op elkander doet volgen, werden Koenraad en ik door een zonderling schouwspel getroffen. Er bestaat een bevallig diertje, dat volgens de ouden het geluk voorspelde: Aristoteles, Athenacus, Plinius en Oppianus hadden het beestje nauwkeurig bekeken en daarvoor al de dichterlijke beschrijvingen van de Grieksche en Romeinsche geleerden opgehaald; zij gaven er de namen aan van Nautilus en Pompilus; maar de nieuwere wetenschap heeft deze benaming niet behouden, want dit weekdier is thans bekend onder den naam van "Argonaut". Welnu, het was een troep van die Argonauten, die op dat oogenblik op de zee zwommen, wij telden er verscheiden honderden; deze bevallige weekdieren zwommen achteruit door middel van een pijp, die hen in beweging brengt, en waardoor zij het water, dat zij bij de ademhaling binnen krijgen, weeruitspuiten. Van hun acht voelarmen dreven er zes, die zeer lang en dun waren, op het water; terwijl de beide anderen, die aan de einden omgekruld waren, overeind stonden, en dienst deden als kleine zeilen. Ik zag duidelijk hun spieraalvormige schelp, door Cuvier bij een netgevormde sloep vergeleken; het was inderdaad een schuitje, dat het dier draagt en het heeft afgescheiden, zonder dat het er aan vast is gehecht. "De Argonaut kan zijn schelp verlaten," zei ik tot Koenraad, "maar hij verlaat ze nooit." "Dan doet hij net als kapitein Nemo," antwoordde Koenraad, "daarom zou hij zijn vaartuig liever 'Argonaut' hebben moeten noemen." Gedurende een uur dreef de Nautilus te midden van die weekdieren, toen werden deze plotseling door ik weet niet welken schrik bevangen. Als op een gegeven teeken gingen de zeiltjes naar beneden, de voelarmen werden ingetrokken, het lichaam kromp samen, de schelpen keerden om, veranderden daardoor haar zwaartepunt en verdwenen plotseling onder de golven. Het was het werk van een oogenblik; nimmer manoeuvreerden de schepen van een vloot met meer juistheid. Op dat oogenblik viel de duisternis plotseling in, en de zee, tot nog toe nauwelijks door een windje bewogen, begon haar golven over den Nautilus te werpen. Den volgenden dag, 26 Januari, passeerden wij op den 28sten meridiaan den evenaar, en kwamen daardoor wederom in het noordelijk halfrond. Dien dag werden wij omringd door een grooten troep haaien, vreeselijke dieren, waarvan deze zee wemelt, en die haar zeer gevaarlijk maken. Het waren haaien met bruinen rug en witten buik, met elf rijen tanden, zoogenaamde ooghaaien met een groote vlek op den hals, waaromheen een kring loopt, die haar op een oog doet gelijken, en Isabellahaaien met ronden snuit en bezaaid met donkere vlekken. Dikwijls stieten deze sterke dieren tegen het glas van den salon met een kracht, die ons vrij ongerust maakte. Ned Land was zich zelve dan niet meer meester. Hij wilde weer naar de oppervlakte om die monsters te harpoenen, die hem met bijzondere hardnekkigheid schenen uit te dagen. Maar de Nautilus verdubbelde weldra hare snelheid en liet de vlugste van die zeemonsters verre achter zich. Den 27sten Januari zagen wij aan den ingang der golf van Bengalen verscheidene malen lijken, die aan de oppervlakte dreven; het waren lijken uit de Indische steden, door den Ganges naar zee gestuwd, en die door de gieren nog niet geheel verslonden waren. Maar de haaien ontbraken niet om die aasvogels in hun noodlottig werk bij te staan. Tegen zeven uur 's avonds voer de Nautilus halfweg onder water door een melkzee; zoover het oog reikte scheen de Oceaan melkwit. Was dit ten gevolge van het schijnsel der maan? Neen, want de maan, die slechts twee dagen oud was, gaf nog niet veel schijn van zich, en was op dat oogenblik bovendien nog onder den gezichteinder verborgen. De hemel, hoewel vol heldere sterren, scheen zwart in vergelijking van het stille water. Koenraad kon zijn oogen niet gelooven, en vroeg mij wat de oorzaak van dit zonderling verschijnsel zijn kon. Gelukkig kon ik hem van antwoord dienen. "Dit noemt men een melkzee," zei ik, "een groote uitgestrektheid van witte golven, zooals men dikwijls bij de kusten van Amboina en in deze streken ziet." "Maar kan mijnheer mij zeggen," vroeg Koenraad, "waardoor dit verschijnsel ontstaat? Want ik veronderstel toch dat het water niet in melk veranderd is." "Neen, mijn jongen, en deze witheid, die je verwondert, ontstaat slechts door millioenen infusiediertjes, een soort van glimwormen, die er kleurloos en geelachtig uitzien: zij zijn niet dikker dan een haar, en maar een vijfde millimeter lang; eenige van die diertjes hangen, verscheidene kilometers lang aan elkander." "Verscheiden kilometers!" riep Koenraad. "Ja, vriend, en tracht nu maar niet om dan het aantal dier schepseltjes te berekenen. Je zoudt er niet in slagen, want als ik me niet bedrieg, hebben enkele zeevaarders we! eens veertig kilometer lang door zulk een melkzee gevaren." Ik weet niet of Koenraad mijn raad ter harte nam, maar hij scheen diep in gedachten verzonken, omdat hij vast eens wilde uitrekenen, hoeveel vijfde millimeters er op een lengte van veertig kilometer begrepen zijn. Ik bleef het verschijnsel beschouwen. De Nautilus doorkliefde gedurende verscheiden uren deze witte golven; en ik merkte op dat hij zonder eenig geruisch door dit op zeepsop gelijkend water voer, als ware het schuim, dat de in verschillende richting stroomende golven dikwijls in de een of andere baai doen ontstaan. Tegen middernacht herkreeg de zee plotseling haar gewone kleur maar achter ons tot aan den gezichteinder weerkaatste de hemel de witte kleur der golven en bleef nog lang den schijn dragen alsof een zwak noorderlicht haar verlichtte. HOOFDSTUK XXVI Een nieuw voorstel van Kapitein Nemo. Den 28sten Januari, toen de Nautilus om 12 uur weer aan het oppervlak verscheen, bevonden wij ons op 9° 4' N.B., en hadden acht kilometer westwaarts land in het gezicht. Eerst zag ik een opeenstapeling van omstreeks 7000 meter hooge bergen met zeer grillige vormen. Toen de zonshoogte genomen was, ging ik naar den salon, en zag dat wij, naar hetgeen op de kaart werd aangeteekend, ons dicht bij Ceylon bevonden, dat als een parel aan de onderste punt van het Indische schiereiland hangt. Ik ging in de bibliotheek, om er een werk over dit eiland te halen, dat als een van de vruchtbaarste der wereld beschouwd wordt. Ik vond een bock: Ceylon and the Cingales getiteld. Toen ik in den salon kwam, keek ik eerst de ligging van Ceylon na, waaraan de ouden zooveel verschillende namen gegeven hebben; het ligt tusschen 5° 55' en 9° 49' N.B. en 79° 42' en 82° 5' O.L. van Greenwich; het is 275 kilometer lang, 150 breed en 900 in omtrek; de oppervlakte beslaat 24448 vierkante kilometer, het is dus iets kleiner dan Ierland. Op dat oogenblik verscheen de kapitein met zijn eersten stuurman. Hij wierp een blik op de kaart, en keerde zich vervolgens tot mij. "Het eiland Ceylon," zei hij, "is een land dat beroemd is door de parelvisscherij. Zoudt gij lust hebben, mijnheer, om een van die visscherijen te bezoeken?" "Zonder twijfel, kapitein." "Goed, dat is gemakkelijk; doch zoo wij al die visscherijen gaan bekijken, dan zullen wij toch de visschers zelven niet zien; de jaarlijksche vangst is nog niet begonnen; het doet er evenwel niet toe; ik zal bevel geven om naar de Golf van Manaar te gaan, waar wij vermoedelijk van nacht zullen aankomen." De kapitein sprak eenige woorden tot zijn stuurman, die daarop aanstonds wegging. Weldra dook de Nautilus weer onder water, en de manometer wees aan dat zij op tien meter diepte voer. Ik zocht toen op de kaart naar de Golf van Manaar; ik vond haar op den negenden parallel, aan de noordwestkust van Ceylon; zij wordt door Indië en Ceylon ingesloten, en aan de noordzijde begrensd door de eilandjes Manaar en Rameseram en de daar tusschen liggende rotspunten, die onder den naam van Adamsbrug bekend zijn. Om deze golf te bereiken, moest men de geheele westkust van Ceylon langs. "Men vischt parels, mijnheer de professor," zei de kapitein, "in de golf van Bengalen, in de Indische zee, in de Chineesche en Japansche zeeën, langs de kusten van Zuid-Amerika, in de golf van Panama, en in die van Californië; maar bij Ceylon levert deze visscherij de meeste voordeelen op; wij komen er zeker wat vroeg, want de visschers komen niet vóór Maart aan de golf van Manaar bijeen, waar zij zich dan gedurende dertig dagen met hun driehonderd schuiten bezig houden om de schatten der zee naar boven te halen. Elke schuit bevat tien roeiers en evenveel visschers; deze worden in twee groepen verdeeld, die om beurten tot op een diepte van twaalf meter duiken, terwijl zij een zwaren steen aan hun beenen hebben hangen, en door middel van een touw aan de schuit verbonden blijven." "Derhalve is altijd nog die oude manier in zwang?" vroeg ik. "Altijd nog," antwoordde kapitein Nemo, "hoewel deze visscherijen aan het vernuftigste volk der aarde behooren, aan de Engelschen, wien zij door den vrede van Amiens in 1802 werden afgestaan." "Ik geloof dat de schaphanders, zooals gij ze gebruikt, bij zulk een visscherij grooten dienst zouden kunnen bewijzen." "Ja, want die arme parelvisschers kunnen niet lang onder water blijven. De Engelschman Perceval spreekt in zijn reis door Ceylon van een Kaffer, die vijf minuten onder water bleef, doch dit schijnt mij niet zeer geloofwaardig. Ik weet wel, dat eenige duikers het 57 seconden uithouden, en zeer bekwame zelfs 87, maar dit zijn uitzonderingen, en als die ongelukkigen weer in de schuit komen, dan loopt hun het water, met bloed vermengd, uit neus en ooren. Ik geloof dat dertig seconden de gemiddelde tijd is, dat zij onder water kunnen blijven, en zij zich haasten om alle pareloesters, die zij kunnen lostrekken in een netje te steken; maar over het algemeen worden die visschers niet oud; hun gezicht wordt zwak, zij krijgen zweren aan de oogen, en wonden over het geheele lichaam, soms zelfs worden zij onder water door een beroerte getroffen." "Ja," zei ik, "het is een treurig ambacht, en dat slechts dient om aan modegrillen te voldoen. Maar zeg mij eens, kapitein, hoeveel parels kan een schuit per dag wel opvisschen?" "Veertig tot vijftig duizend. Men zegt zelfs, toen in 1814 de Engelsche regeering voor eigen rekening liet visschen, de duikers in twintig dagen 76 millioen oesters naar boven brachten." "Die visschers worden toch behoorlijk betaald?" "Zeer slecht, mijnheer de professor; te Panama verdienen zij maar een rijksdaalder per week. Meestal krijgen zij twee en een halven cent voor een oester, die parels bevat, en hoeveel zijn er niet, waar niets inzit!" "Welk een schandelijke belooning voor menschen die hun meesters rijk maken! 't Is een gruwel!" "Dus zult gij met uw makkers," zei kapitein Nemo, "de oesterbank van Manaar bezoeken, en indien zich daar toevallig eenig voorbarig visscher ophoudt, zult gij hem aan het werk zien." "Goed, kapitein." "Zeg eens, mijnheer Aronnax, zijt gij niet bang voor haaien?" "Haaien?" vroeg ik. De vraag van den kapitein scheen mij geheel overbodig. "Welnu?" hernam kapitein Nemo. "Ik moet eerlijk bekennen, kapitein, dat ik mij aan die soort visschen nog niet zoo volkomen gewend heb." "Wij zijn er aan gewoon," antwoordde de kapitein, "en mettertijd zult gij het ook zijn. Overigens zijt gij gewapend, en misschien zullen wij dan onderweg wel op een haai jacht maken; het is een belangwekkende jacht. Dus tot morgen vroeg, mijnheer." De kapitein zei dit op lossen toon en verliet den salon. Als men u uitnoodigde om in de Zwitsersche bergen op de berenjacht te gaan, zoudt gij zeggen: "Goed, morgen zullen wij op de beren jacht maken!" Als iemand u een uitnoodiging zond om in de Noord-Afrikaansche vlakte op leeuwen jacht te maken, zoudt gij antwoorden: "Zoo, het schijnt dat wij op leeuwen of tijgers gaan jagen!" Maar wanneer men u op die wijze verzocht, om de haaien in hun natuurlijk element na te jagen, zoudt gij er misschien nog wel eens over willen nadenken, voordat gij die uitnoodiging aannaamt. Wat mij aangaat, ik streek met de hand over het voorhoofd waarop eenige zweetdroppels kleefden. "Ik wil eens nadenken," zei ik tot mij zelf, "en mijn tijd er voor nemen. Om otters in de onderzeesche wouden te jagen, zooals wij bij het eiland Crespo gedaan hebben, dat gaat nog; maar om onder zee te wandelen, als men bijna zeker is er haaien te ontmoeten, dat is iets anders! Ik weet wel dat in sommige streken, bij voorbeeld op de Andaman-eilanden, de negers niet aarzelen, om met een dolk in de eene en een netje in de andere hand een haai aan te vallen, maar ik weet ook, dat velen van hen, die deze vreeselijke dieren aanvallen, niet levend terugkeeren. Bovendien ben ik geen neger, en al was ik er een, dan geloof ik dat een aarzeling van mijn zijde wel verschoonbaar zou zijn." En ik ging aan het droomen van haaien, die ik mij voorstelde met groote kaken, met een ruim aantal rijen tanden gewapend, waarmee zij een mensch wel in tweeën kunnen bijten. Ik voelde reeds wat pijn in de lenden. En dan kon ik de onverschilligheid niet verduwen, waarmee de kapitein mij die ellendige uitnoodiging gedaan had. Zou men niet gezegd hebben dat het niets anders was dan om den vos in zijn bosschen te gaan opjagen? "Goed," dacht ik, "Koen zal nooit met mij mee willen gaan, en dat zal er mij van verschoonen om den kapitein te vergezellen." Wat Ned Land aangaat, ik beken dat ik mij niet zoo geheel van zijn voorzichtigheid verzekerd hield. Een gevaar, hoe groot ook, had voor zijn strijdlustig karakter altijd eenige aantrekkingskracht. Ik begon weer in het boek van Sirr te lezen, maar ik doorbladerde het slechts werktuigelijk; tusschen de regels in zag ik de vreeselijke geopende kaken. Op dat oogenblik kwamen Koenraad en de Amerikaan binnen met een kalm en zelfs vroolijk gelaat; zij wisten ook niet wat hun wachtte. "Jongens, mijnheer," zei Ned Land, "uw kapitein Nemo, de duivel hale hem! heeft ons een zeer aardige uitnoodiging gedaan." "O, zoo," zei ik, "gij weet dus...." "Als mijnheer het niet kwalijk neemt," antwoordde Koenraad, "de kapitein van den Nautilus heeft ons uitgenoodigd om morgen, in mijnheers gezelschap, de prachtige parelvisscherij van Ceylon te bezoeken. Hij heeft dit zoo beleefd mogelijk gedaan." "Heeft hij u niets meer gezegd?" "Niets, mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "dan alleen dit dat hij u ook over die wandeling gesproken had." "Juist." zei ik, "en heeft hij u geen enkele bijzonderheid medegedeeld over...?" "Niets, mijnheer. Gij gaat toch mee, niet waar?" "Ik.... zonder twijfel. Ik zie dat gij er veel lust in hebt, Ned." "O veel, zeer veel." "Het is misschien gevaarlijk," voegde ik er op beteekenisvollen toon bij. "Gevaarlijk?" vroeg Ned Land; "en dat een wandelingetje naar een oesterbank!" De kapitein had het dus zeker onnoodig gevonden, om bij mijn makkers het denkbeeld aan haaien op te wekken. Ik keek hen in verwarring aan, alsof zij reeds een van hunne ledematen misten. Moest ik hen waarschuwen? Ja zeker, maar ik wist niet goed hoe ik dit zou aanleggen. "Mijnheer," zei Koenraad, "zal ons zeker wel eenige bijzonderheden van de parelvisscherij willen mededeelen?" "Over de visscherij zelf," vroeg ik, "of over de ongelukken die...." "Over de visscherij," antwoordde Ned Land. "Het is goed het terrein te kennen vóór men er zich op waagt." "Welnu, gaat dan zitten, vrienden, en ik zal u alles meedeelen wat het boek van Sirr er mij zelf van geleerd heeft." Ned en Koen namen plaats op een rustbank, waarna de eerste mij vroeg: "Mijnheer, wat is een parel?" "De parel," antwoordde ik, "is voor den dichter een traan der zee, voor de Oosterlingen een hard geworden dauwdruppel, voor de vrouwen een kostbaarheid van langwerpigen vorm, met glasachtig uiterlijk en van een parelmoerachtige stof, welke zij aan vingers, hals of ooren dragen, voor een scheikundige is ze een verbinding van phosphorzure en koolzure kalk, met een weinig gelatine, en eindelijk voor de natuuronderzoekers een eenvoudige ziekelijke afscheiding van het orgaan, dat bij zekere schelpdieren het parelmoer doet geboren worden." "Familie der weekdieren, klasse der koploozen, orde der schaaldieren," mompelde Koenraad. "Juist, geleerde Koen. Al de schaaldieren, die het parelmoer, namelijk die blauwe of blauwachtige, violette of witte stof, welke het binnenste der schelp bekleedt, afscheiden, zijn geschikt om parels voort te brengen." "De mossels ook?" vroeg de Amerikaan. "Ja, de mossels uit zekere streken van Schotland, Wales, Ierland, Saksen, Bohemen en Frankrijk." "Goed, dan zal ik er voortaan op letten," antwoordde de Amerikaan. "Maar," hernam ik, "het weekdier dat bij voorkeur de parel afscheidt, is de pareloester, de kostbare pintadine. De parel is niets anders dan een samentrekking van parelmoer, dat een bolvormige gedaante aanneemt. Zij hecht zich aan de schelp vast of zit verborgen in de plooien van het dierlijk lichaam. Op de schelp zit de parel altijd vast, doch in het vleesch is zij los. De kern is reeds een klein hard lichaam, hetzij een onvruchtbaar eitje of een zandkorrel, waarom zich jaren lang de parelmoerachtige stof afscheidt." "Vindt men meer dan één parel in denzelfden oester?" vroeg Koenraad. "Ja, mijn jongen. Er zijn er die een schat inhouden; men vermeldt zelfs een oester, doch ik twijfel er aan, die niet minder dan honderd vijftig haaien bevatte." "Honderd vijftig haaien!" "Zei ik haaien?" vroeg ik driftig, "ik wil zeggen honderd vijftig parels; haaien zou bespottelijk zijn." "Zeker," zei Koenraad. "Maar kan mijnheer ons ook vertellen hoe men die parels uit de schelp haalt?" "Men doet dit op verschillende wijzen, en dikwijls trekken de visschers ze met tangen uit de schelp, als de parels er aan vast zitten. Gewoonlijk echter worden de oesters uitgespreid op matten van Spaansch riet, die men op het strand heeft uitgelegd. Zoo sterven zij in de lucht, en na een tiental dagen zijn zij in vrij ver gevorderden staat van ontbinding gekomen; dan werpt men ze in groote bakken met zeewater, waarin men ze opent en wascht. Dan begint het dubbele werk der schilders: eerst splijten zij de platten parelmoer uit de schelp, welke in kisten van 125 tot 150 kilo verzonden worden; dan nemen zij het diertje uit den oester, koken dat en ziften het, om er zelfs de kleinste parels uit te halen." "Verschilt de prijs der parels ook volgens de grootte?" vroeg Koenraad. "Niet alleen volgens de grootte," antwoordde ik, "maar ook volgens den vorm, volgens het water, dat is te zeggen de kleur, en naar den schitterenden en veelkleurigen glans, die ze zoo schoon voor het oog maakt. De schoonste parels worden maagdelijke genoemd; zij ontstaan op zich zelven in de weefsels van het weekdier; zij zijn wit, soms ondoorschijnend, maar soms ook wel doorschijnend en gewoonlijk rond of langwerpig van vorm. In het eerste geval worden er armbanden, in het tweede geval oorbellen van gemaakt en daar zij de kostbaarste zijn, worden zij bij het stuk verkocht. De andere parels zitten aan de schelp vast, en omdat zij onregelmatiger zijn, worden deze bij het gewicht verkocht. Tot de minste soort behooren eindelijk de kleine parels, die onder den naam van zaad bekend zijn, zij worden bij de maat verkocht en gewoonlijk voor borduurwerk gebruikt." "Maar het moet een langdradig en moeilijk werk zijn," zei de Amerikaan, "om de parels volgens grootte uit te zoeken." "Neen, mijn vriend. Dit geschiedt door middel van elf verschillende zeven, die met een afwisselend aantal gaatjes doorboord zijn. De parels, die in de zeven met 20 tot 25 gaatjes blijven liggen, zijn de beste. Tot de tweede soort behooren die, welke niet gaan door zeven, waarin 100 tot 800 gaatjes geboord zijn; het zaad eindelijk wordt verkregen door zeven met 900 tot 1000 gaatjes." "Dat is vernuftig," zei Koenraad, "en ik zie dus dat het uitzoeken der parels werktuiglijk geschiedt. Zou mijnheer ons ook kunnen zeggen wat die pareloesterbanken gewoonlijk opbrengen?" "Volgens het boek van Sirr," antwoordde ik, "worden de visscherijen van Ceylon jaarlijks voor een som van anderhalf millioen haaien verpacht." "Gulden!" hernam Koenraad. "O, ja, gulden; anderhalf millioen gulden," hernam ik; "maar ik geloof niet dat die visscherijen thans zooveel meer opbrengen als vroeger. Het is hetzelfde geval met de Amerikaansche visscherijen die onder de regeering van Karel den Vijfde twee millioen gulden opbrachten, en thans slechts twee derde van die som opleveren. Om kort te gaan, men kan de opbrengst van alle parelvisscherijen bij elkander op omstreeks vier en een half millioen gulden schatten." "Maar," vroeg Koenraad, "wordt er nergens melding gemaakt van beroemde parels, die voor zeer hoogen prijs verhandeld werden?" "Jawel, mijn vriend. Men zegt dat Caesar aan Servilia een parel aanbood, die een waarde had van 60,000 gulden." "Ik heb zelfs eens hooren vertellen," zei de Amerikaan, "dat in de oudheid een dame parels dronk opgelost in azijn." "Cleopatra," zei Koenraad. "Dat smaakte vast niet lekker," voegde Ned Land er bij. "Afschuwelijk, vriend Ned," antwoordde Koenraad, "maar een klein glaasje azijn dat f 750.000 kost, is nog al aardig." "Het spijt mij dat ik die dame niet tot vrouw heb," sprak de Amerikaan, terwijl hij zijn arm op weinig dubbelzinnige wijze heen en weer bewoog. "Ned Land.... de man van Cleopatra!" riep Koenraad uit. "Maar ik had moeten trouwen, Koen," zei Ned ernstig, "en het is mijn schuld niet dat het niet is gebeurd. Ik had al een halssnoer van parels voor Kaatje Teeder, mijn bruid, gekocht, doch zij is daarna toch met een ander getrouwd. Welnu, dat halssnoer had mij niet meer dan twee dollars gekost, en toch--mijnheer de professor zal mij misschien niet willen gelooven,--die parels waren zoo groot, dat ze door geen zeef met twintig gaten zouden zijn heengegaan." "Dat waren nagemaakte parels, mijn goede Ned," zei ik lachende, "eenvoudige glazen bolletjes, van binnen met een Oostersche oplossing overtogen." "Maar die oplossing moet dan toch nog al wat kosten?" vroeg Ned. "Zoo goed als niets; het is niets anders dan de zilveren schubben der blei, in water bewaard en in ammoniak opgelost; het heeft niet de minste waarde." "Daarom heeft Kaatje misschien een ander getrouwd," antwoordde Ned Land zeer wijsgeerig. "Maar," zei ik, "om op onze kostbare parels terug te komen, ik geloof niet dat eenig vorst er ooit zulk een kostbare bezeten heeft als kapitein Nemo." "Deze?" vroeg Koenraad, terwijl hij op het prachtig kleinood in de glazenkast wees. "Ja, en ik geloof niet dat ik mij bedrieg, als ik die parel op een millioen gulden schat; en zonder twijfel heeft de kapitein er alleen de moeite voor gedaan om ze op te rapen." "Wie zegt ons," riep Ned Land uit, "dat wij er morgen op onze wandeling, ook niet zulk een zullen vinden?" "Kom!" zei Koenraad. "Waarom niet?" "Waartoe zouden ons zulke schatten aan boord van den Nautilus dienen?" "Aan boord nergens toe," zei Ned, "maar.... elders." "O, elders!" zei Koenraad hoofdschuddend. "Ned Land heeft gelijk," zei ik; "en zoo wij in Europa of Amerika ooit een parel van een of twee millioen medebrengen, dan zal dit ten minste groot gewicht en meer waarschijnlijkheid aan het verhaal onzer lotgevallen geven." "Dat geloof ik ook," zei de Amerikaan. "Maar," vroeg Koenraad, die altijd meer van die dingen wilde weten, "is die parelvisscherij gevaarlijk?" "Neen," antwoordde ik, "vooral wanneer men zekere voorzorgsmaatregelen neemt." "Wat waagt men daarbij?" schertste Ned Land; "alléén om eenige monden vol water in te slikken."' "Zooals gij zegt, Ned. Maar," voegde ik er bij, terwijl ik trachtte om op denzelfden vroolijken toon te spreken als kapitein Nemo, "zeg eens, dappere Ned, ben je bang voor haaien?" "Ik," riep de Amerikaan, "en harpoenier van professie! Het is mijn ambacht om die uit te lachen!" "Het is de vraag niet," hernam ik, "om ze met een haak te vangen, ze op het dek te hijschen, den staart met een bijl af te hakken, ze den buik open te snijden, het hart en de ingewanden er uit te halen, en die in zee te smijten!" "Wat is het dan....?" "Juist." "Wat, juist? In het water?" "In het water." "Kom, kom," zei Ned Land, "met een flinken harpoen. Gij weet, mijnheer, dat die beesten al heel wonderlijk gevormd zijn. Ze moeten zich eerst op hun rug keeren, voordat ze u kunnen ophappen.... en in dien tijd...." Ned Land sprak van dat "ophappen" op een manier, die mij een rilling over het lijf joeg. "Welnu, Koen, wat denkt gij van de haaien?" "Ik," zei Koenraad, "zal openhartig spreken." "Goed!" dacht ik. "Als mijnheer het waagt, dan zie ik niet in waarom zijn trouwe knecht het ook niet zou doen." HOOFDSTUK XXVII Een parel van vijf millioen. De nacht viel; ik ging naar bed, doch sliep vrij slecht. De haaien speelden een belangrijke rol in mijn droomen. Den volgenden morgen werd ik om vier uur door den hofmeester gewekt. Ik stond spoedig op, kleedde mij en ging naar het salon. De kapitein wachtte mij reeds. "Zijt gij klaar om te vertrekken, mijnheer Aronnax?" vroeg hij. "Ik ben gereed." "Volg mij dan." "En mijn makkers?" "Zij zijn reeds gewaarschuwd en wachten ons." "Moeten wij onze scaphanders niet aantrekken?" "Nog niet. Ik heb den Nautilus niet te dicht bij de kust laten komen, en wij zijn nog niet op de hoogte van de oesterbank van Manaar. Ik heb de sloep laten gereed maken, en deze zal ons op de juiste plek brengen en daardoor een vrij lange wandeling uitsparen. Onze duikertoestellen liggen in de boot en wij trekken die eerst aan als onze onderzeesche tocht een aanvang neemt." De kapitein geleidde mij naar de groote trap, en kwam met mij op het plat, waar Ned Land en Koenraad, vol verrukking over het "pleziertochtje", reeds wachtten. Vijf matrozen verbeidden met de riemen in de hand onze komst. Het was nog duister; wolken bedekten het luchtruim en lieten slechts enkele sterren zien; ik keek naar het land; maar ik zag alleen een donkere lijn, die van het zuid- naar het noordwesten drievierde van den gezichteinder begrensde. Gedurende den nacht had de Nautilus de westkust van Ceylon gevolgd, en bevond zich thans in het westelijk gedeelte van de baai van Manaar. Daar strekte zich onder het donker water de oesterbank uit, dat onuitputtelijk parelveld, meer dan twintig kilometer lang. De kapitein, mijn beide makkers en ik, gingen achter in de boot zitten. Een stuurman zat aan het roer, en de matrozen hielden de riemen gereed: de boot werd afgestooten, en wij waren in het ruime sop. De boot richtte zich naar het zuiden; de roeiers haastten zich niet, en ik merkte op dat de riemen, die met kracht en diep door het water geslagen werden, slechts om de tien seconden een slag deden zooals gewoonlijk bij de oorlogsmarine geschiedt. Terwijl de boot voortschoot, vielen de waterdroppels, als waren ze kokend lood, van de telkens omhoog gehouden riemen op het donker watervlak; een kleine bries, die ons uit het zuiden tegemoet woei, deed de boot een weinig slingeren, en eenige golven spatten tegen den voorsteven van ons ranke vaartuig uiteen. Wij zwegen allen; waaraan dacht kapitein Nemo? Misschien aan het land, dat hij naderde, en dat hij misschien te nabij kwam; geheel anders dacht er zeker de Amerikaan over, dien het waarschijnlijk nog te ver af was. Koenraad zat daar eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid. Tegen half vijf werden door de eerste lichtstralen aan den horizon de lijnen der kust beter zichtbaar. In het oosten was die kust vlak; naar het zuiden meer bergachtig; wij waren er nog vijf kilometer af, zoodat zij voor ons oog nog te veel met de nevels op zee ineensmolt. De zee was geheel verlaten, geen enkele boot, geen enkele duiker. Deze vereenigingsplaats van de parelvisschers was geheel eenzaam, omdat wij, zooals de kapitein mij reeds voorspeld had, een maand te vroeg kwamen. Om zes uur werd het eensklaps dag, met een snelheid, die aan deze keerkringsstreken eigen is, waar men geen morgen- of avondschemering kent. De zonnestralen drongen door het wolkengordijn, dat in het oosten zichtbaar was; en het schitterend hemellichaam verhief zich snel in het luchtruim. Ik zag duidelijk het land, met hier en daar enkele boomen. De sloep naderde het eiland Manaar, dat voor ons lag uitgestrekt. Kapitein Nemo was opgestaan en overzag de zee. Op een teeken lieten de matrozen het anker vallen, doch behoefden den ketting slechts weinig te vieren, daar de zee hier op zijn hoogst één meter diep was; op deze plek lag een van de hoogste punten der oesterbank. De sloep zwaaide onmiddellijk voor het anker om, door toedoen der ebbe, die haar zeewaarts wilde stuwen. "Wij zijn er, mijnheer Aronnax," zei toen de kapitein. "Gij ziet deze enge baai; hier zullen over een maand de talrijke visschersbooten der pachters bijeenkomen, en de duikers den bodem stoutmoedig onderzoeken. Deze baai is voor dit soort van visschen allergunstigst; zij is tegen de sterkste winden beschut, en de zee is er nooit in sterke deining, wat voor de duikers zeer gelukkig is. Wij zullen nu onze scaphanders aandoen en onze wandeling beginnen." Ik antwoordde niet, en die verdachte golven bekijkende, begon ik, met behulp van de matrozen, mijn zwaar pak aan te trekken. De kapitein en mijn beide makkers kleedden zich ook. Geen van de mannen van den Nautilus zou ons op dien tocht vergezellen. Weldra waren wij tot den hals toe in ons kleed van caoutchouc opgesloten, en draagbanden bevestigden onze luchttoestellen op den rug. Van de toestellen van Ruhmkorff was geen sprake; vóor dat ik mijn hoofd in den koperen helm stak, vroeg ik naar de reden van dit laatste gemis. "Die toestellen zouden nutteloos zijn," antwoordde de kapitein; "wij dalen, op geen groote diepte af, en de zonnestralen zullen onzen tocht genoeg verlichten. Bovendien zou het niet voorzichtig zijn onze electrische lantaarns mee te nemen; het licht kon onverwacht eens eenig gevaarlijk bewoner dier streken aantrekken." Terwijl de kapitein dit zeide, wendde ik mij naar Ned Land en Koenraad; maar zij hadden hun hoofd reeds in den helm gestoken, en konden dus niet hooren of antwoorden. Ik richtte nog een laatste vraag tot den kapitein. "En onze wapens?" vroeg ik, "onze geweren?" "Geweren, waartoe zouden die dienen? Vallen de bergbewoners den beer niet aan met den dolk in de hand, en is het staal niet zekerder dan het lood? Hier is een stevig lemmet; steek het in uw gordel en laat ons in zee gaan." Ik keek naar mijn makkers. Zij waren evenals wij gewapend, maar bovendien drilde Ned Land een vreeselijkers harpoen, dien hij vóór ons vertrek in de boot had gelegd. Toen liet ik mij, evenals den kapitein, den helm opschroeven, en bracht onmiddellijk het luchttoestel in werking. Een oogenblik daarna lieten de matrozen ons één voor éen in zee zakken, en op anderhalven meter diepte stonden wij toen op een met fijn zand bedekten bodem. De kapitein wenkte ons met de hand, wij volgden hem, en langs een zacht glooiende helling voortstappend, verdwenen wij weldra onder de golven. Nu verlieten mij plotseling alle benauwende gedachten; ik werd verwonderlijk kalm. De gemakkelijkheid mijner bewegingen vermeerderde mijn gerustheid, en het vreemde van het schouwspel maakte zich geheel van mijn geest meester. De zon verlichtte reeds genoegzaam het water. De minste voorwerpen waren zichtbaar; na tien minuten gaans waren wij op vijf meter diepte, en nu bleven wij op dezelfde hoogte. Evenals de watersnippen in een moeras, vloden troepen kleine visschen voor ons uit, die tot de éenvinnigen behoorden, omdat zij geen andere vin hadden dan aan den staart. Het langzamerhand hooger klimmen der zon verlichtte het water hoe langer zoo meer. Op het fijne zand van den bodem volgde een weg, als het ware met ronde rotssteenen geplaveid, die met weekdieren en zoöphyten als met een tapijt bedekt waren. Ik herkende daaronder verscheidene mij reeds bekende soorten, en onder anderen ook een afschuwelijk dier, namelijk een groote krab, door Darwin reeds beschreven, en waaraan de natuur het instinct en de noodige kracht heeft gegeven om zich met kokosnooten te voeden; het dier klimt op den oever in de boomen, laat de noten vallen, opdat zij daardoor zouden barsten en opent ze dan met zijne sterke scharen. Onder de heldere golven liep de krab met een onvergelijkelijke snelheid, terwijl kleine zeeschildpadden zich slechts langzaam tusschen de rotssteenen voortbewogen. Tegen zeven uur kwamen wij op de oesterbank, waarop millioenen parelschelpen te vinden waren. Deze kostbare weekdieren zaten aan den rotsgrond vast met een bruin weefsel, dat hun belette zich van de plaats te bewegen: in dit opzicht zijn deze dieren minder zelfs dan de mossels, wien de natuur niet alle beweegkracht ontnomen heeft. De kapitein wees mij met de hand die verbazende opeenstapeling van schelpen, en ik begreep dat deze mijn waarlijk onuitputtelijk was, want de scheppingskracht der natuur is grooter dan de verdelgingswoede van den mensch. Ned Land, getrouw aan het instinct om te vernietigen, haastte zich de grootste schelpen los te rukken en die in een netje te doen, dat hij aan den gordel had hangen. Maar wij konden niet stil blijven staan; wij moesten den kapitein volgen, die langs aan hem alleen bekende paden voortstapte. De grond rees weer vrij sterk, en soms kon ik mijn arm boven het water uitsteken. Daarna daalde de bodem nogmaals; soms gingen wij om puntige rotsen heen, in wier holen en spleten groote schaaldieren op hunne hooge pooten stonden, evenals kanonnen op hunne affuiten, en ons met starende oogen aankeken; voor onzen voet kropen palingen, zeeslangen en een soort inktvisschen, die hunne voelarmen zoolang als zij konden uitrekten. Op dit oogenblik opende zich voor ons een uitgestrekte grot, uitgehold in eene schilderachtige rots, die met al de plantensoorten der onderzeesche flora scheen begroeid te zijn. Eerst meende ik dat die grot geheel donker was; de zonnestralen schenen er langzamerhand in te verdwijnen, en het licht dat er in doorscheen, beteekende zeer weinig. De kapitein trad de grot binnen; wij volgden hem. Weldra gewenden mijne oogen zich aan die betrekkelijke duisternis; ik onderscheidde de zonderling gevormde gewelven, die door natuurlijke kolommen gedragen werden; ze stonden op voeten van graniet, evenals kolommen volgens de Etrurische bouworde. Waarom bracht onze onbegrijpelijke gids ons in die onderzeesche grot? Ik zou het weldra zien. Nadat wij een vrij steile helling waren afgegaan, kwamen wij onder in een ronden put; daar hield Nemo stil en wees ons met de hand een voorwerp, dat ik nog niet had opgemerkt Het was een oester van buitengewone grootte, een reusachtige schelp, een wijwaterbak, die een zee van wijwater kon bevatten, een schaal van meer dan twee meter breed, en derhalve veel grooter dan die, welke den salon van den Nautilus versierde. Ik naderde dit bewonderenswaardig weekdier; met zijn weefsel zat het op een granietrots vast en daar groeide het geheel alleen in het kalme water der grot. Ik schatte het gewicht van die oester op driehonderd kilo; zulk een dier heeft vijftien kilo vleesch, en men zou de maag van een Gargantua of diergelijken reus moeten hebben, om er een paar dozijn van op te eten. De kapitein kende zeker het bestaan van dit schelpdier; het was de eerste maal niet dat hij het zag, en ik geloof dat hij er ons heen geleidde, om ons die bijzonderheid der natuur te doen bewonderen; ik bedroog mij echter, want de kapitein had er bijzonder belang bij zich van den tegenwoordigen toestand van de oester te vergewissen. De oester was geopend; de kapitein ging er heen en zette er zijn dolk tusschen, om de schelpen te beletten zich te sluiten; daarop lichtte hij met de hand het vliesachtig bekleedsel op. dat het dier omhulde. Daar zag ik tusschen de plooien van het vleesch een vrije parel, zoo groot als een kokosnoot. Haar ronde vorm, volmaakte zuiverheid en schoone glans maakten die parel tot een zeldzame kostbaarheid van onschatbare waarde. Door nieuwsgierigheid geprikkeld, stak ik de hand uit om haar te grijpen, te betasten, te wegen! Maar de kapitein hield mij tegen, schudde met het hoofd ten teeken van afkeuring en trok den dolk snel tusschen de schelpen uit, die zich onmiddellijk besloten. Toen begreep ik wat het plan van den kapitein was. Door die parel in de oester te laten, gaf hij haar de gelegenheid om te groeien. Elk jaar werd ze grooter door de afscheiding van het dier, dat er telkens nieuwe lagen omheen legde. De kapitein kende alléén de grot, waar deze bewonderenswaardige "vrucht" der natuur rijpte; hij kweekte die om zoo te zeggen aan, om haar eens in zijn kostbare verzameling op te nemen. Misschien had hij op voorbeeld van Chineezen en Indiërs die parel doen voortbrengen, door een stukje glas of metaal in de oester te leggen, dat daar langzamerhand met parelmoerlagen overtogen was. In allen gevalle, als ik deze parel vergeleek met de mij bekende, dan moest ik hare waarde op minstens vijf millioen gulden stellen. Het was een prachtige zeldzaamheid, doch geen voorwerp van weelde; want welke vrouwelijke ooren hadden haar ooit kunnen dragen? Ons bezoek aan dit kostbaar voorwerp was geëindigd. De kapitein verliet de grot en wij beklommen de oesterbank weer te midden van het heldere water, dat door het werk der duikers nog niet troebel werd gemaakt. Wij liepen elk afzonderlijk, als ware slenteraars, daar ieder staan bleef of vooruitging, naarmate hij het in zijn hoofd kreeg. Wat mij aanging, ik koesterde geen vrees meer voor de gevaren, die mijn verbeelding zoo bespottelijk overdreven had. De bodem naderde merkbaar het vlak der zee, en weldra stonden wij in zulk ondiep water, dat mijn hoofd er boven uitstak. Koenraad kwam naar mij toe, en zijn helm tegen den mijnen aandrukkende, groette hij mij vriendelijk met zijn oogen. Deze hoogte was echter maar enkele vademen breed, en weldra waren wij weer geheel in "ons element" verdwenen. Ik geloof wel dat ik het nu zoo noemen mag. Tien minuten daarna hield de kapitein plotseling stil. Ik dacht dat hij staan bleef om terug te keeren, doch dit was niet het geval, en met een beweging van de hand beval hij ons naast hem in een holte neer te hurken; hij wees naar een punt in het water en ik keek oplettend toe. Op vijf meter afstand verscheen een schaduw, die tot op den grond daalde. De verontrustende gedachte aan de haaien schoot mij weer te binnen, doch ik bedroog mij, ditmaal althans hadden wij met dit zeemonster nog niet te doen. Het was een man, een Hindoe, een donkerkleurige visscher, zonder twijfel een arme duivel, die voordat de tijd nog daar was reeds iets zocht te verdienen. Ik zag de kiel van zijn boot eenige voeten boven zijn hoofd. Herhaaldelijk dook hij en kwam hij weer boven. Een steen, in den vorm van een suikerbrood, dien hij tusschen zijn voeten geklemd hield, was met een touw aan zijn boot bevestigd en diende hem om spoediger op den bodem te komen; dit was zijn eenig werktuig. Toen hij vijf meter diep op den bodem was afgedaald, wierp hij zich op de knieën en vulde een zak met oesters, die hij op goed geluk losrukte: dan ging hij weer naar boven, ledigde den zak, trok den steen naar zich toe, en begon zijn werk opnieuw, dat telkens slechts dertig seconden duurde. De duiker zag ons niet; de schaduw der rots verborg ons voor zijn oog; en bovendien, hoe zou de arme Hindoe ooit gedroomd hebben dat menschen, zooals hij, daar onder het water in zijn nabijheid stonden, al zijn bewegingen bespiedden, en geen enkele bijzonderheid van zijn visscherij onopgemerkt lieten? Verscheidene malen daalde en steeg hij; hij bracht telkens niet meer dan een dozijn oesters naar boven, want hij moest ze met geweld losscheuren van de rotsbedding, waarop ze met hun sterk weefsel vastzaten. En hoevele van die oesters, waarvoor hij zijn leven waagde, waren nog zonder parels! Ik beschouwde hem met bijzondere aandacht. Hij werkte geregeld voort en gedurende een half uur scheen hem geen enkel gevaar te bedreigen. Ik raakte dus reeds gewoon aan het schouwspel dier belangwekkende visscherij, toen ik den Hindoe, op het oogenblik, dat hij weer op den grond neerknielde, eensklaps hevig zag schrikken, opstaan en een sprong doen om weer naar boven te komen. Ik begreep zijn ontsteltenis. Een reusachtige schaduw vertoonde zich boven den ongelukkigen duiker; het was een groote haai, die met vurig oog en geopende kaken dwars op hem aankwam. Ik was stom van ontzetting en niet in staat mij te bewegen. Het verslindende dier snelde op den Hindoe toe; deze sprong op zijde en vermeed daardoor wel den beet van het dier, maar geenszins een slag met den staart, want hij kreeg een klap tegen de borst en viel op den grond neer. Dit tooneel duurde nauwelijks eenige seconden. De haai kwam terug, en zich op den rug wentelend, maakte hij zich gereed om zijn slachtoffer in tweeën te bijten, toen ik den kapitein, die naast mij zat, plotseling voelde opstaan. Met den dolk in de hand trad hij recht op het monster toe en maakte zich gereed om het te bestrijden. Op het oogenblik dat de haai den ongelukkigen visscher wilde aanvatten, zag hij zijn nieuwen vijand, en zich weer op den buik wentelend, zwom hij ijlings naar dezen toe. Nog zie ik de houding van kapitein Nemo; een weinig ineengebogen, wachtte hij met bewonderenswaardige koelbloedigheid het vreeselijk dier af, en toen het zich op hem wilde werpen, sprong de kapitein verbazend vlug op zijde, vermeed den schok en stak het beest zijn dolk in den buik. Dit was slechts een begin, want nu ving een ontzettende strijd aan. De haai brulde om zoo te zeggen; het bloed stroomde uit zijn wond, het zeewater werd rood gekleurd, zoodat ik door het ondoorschijnende der vloeistof bijna niets meer zag. Eindelijk bemerkte ik in een helder oogenblik den stoutmoedigen kapitein weer, die zich aan een der vinnen van het dier had vastgeklampt, den buik van het monster met dolksteken als doorploegde, en hem toch den beslissenden stoot niet in het hart kon geven. De haai bracht het water door zijn woedende stuiptrekkingen in hevige beweging, zoodat ik verscheiden malen op het punt stond mijn evenwicht te verliezen. Ik had den kapitein te hulp willen snellen, doch van afgrijzen als aan den grond genageld, stond ik bewegingloos. Ik keek met verwilderd oog; ik zag den strijd van vorm veranderen: de kapitein werd door het groote gewicht dat op hem drukte, tegen den grond geworpen; toen openden zich de kaken van het dier op huiveringwekkende wijze, en het zou met den kapitein gedaan geweest zijn, als Ned Land niet zoo snel als de gedachte den haai met de punt van zijn vreeselijken harpoen had getroffen. Het water werd geheel door bloed gekleurd, en door den haai met onbeschrijfelijke woede in beweging gebracht. Ned Land had zijn doel niet gemist; het waren de laatste stuiptrekkingen van het monster, dat in het hart getroffen, zulke vreeselijke bewegingen maakte, dat Koenraad er door tegen den grond werd geworpen. Ned Land richtte ondertusschen den kapitein op, die gelukkig zonder eenige wond opstond, recht naar den Hindoe ging, het touw doorsneed, waarmede deze aan den steen gebonden was, hem in zijn armen nam en hem met een krachtigcn stoot naar de oppervlakte duwde. Wij volgden hem alle drie, en eenige oogenblikken daarna kwamen wij, wonderbaarlijk gered, bij de boot van den visscher. De tweede zorg van den kapitein was, om den ongelukkige weer in het leven te roepen; ik wist niet of hij daarin slagen zou; ik hoopte het wel, want de arme duivel had niet lang onder water gelegen; maar de slag met den staart van het monster kon hem gedood hebben. Gelukkig zag ik den drenkeling door het krachtig wrijven van den kapitein en Koenraad langzamerhand het bewustzijn herkrijgen; hij opende de oogen weder. Hoe groot moeten zijn verbazing en zijn schrik niet geweest zijn, toen hij vier groote koperen hoofden over zich heen gebukt zag! En bovenal, wat moest hij wel denken, toen kapitein Nemo, een zakje met parels te voorschijn halend, hem dit in de hand drukte? Deze schitterende aalmoes van den waterman werd door den armen Singalees bevend aangenomen. Zijn verwilderde oogen duidden bovendien genoegzaam aan, dat hij niet wist aan welke bovenmenschelijke wezens hij het leven en fortuin tegelijk te danken had. Op een teeken van den kapitein gingen wij weer naar de oesterbanken, en den reeds afgelegden weg nogmaals volgende, kwamen wij na een half uur gaans bij het anker, waaraan de sloep van den Nautilus vastlag. Toen wij aan boord waren, ontdeden wij ons met behulp der matrozen van de zware koperen helmen. Het eerste woord van den kapitein was voor den Amerikaan. "Ik dank u, Ned Land," zei hij. "Het is een wederdienst, kapitein," antwoordde deze, "ik was nog bij u in schuld." Een glimlach speelde om de bleeke lippen des kapiteins, en dit was alles. "Naar den Nautilus!" beval hij kortaf. De sloep vloog over de baren; eenige minuten later ontmoetten wij het lichaam van den dooden haai. Aan de zwarte kleur van het uiteinden der vinnen herkende ik er een van de vreeselijkste soort uit den Indischen Archipel. Het dier was ruim 8 meter lang; de bek besloeg een derde deel van het lichaam. Het beest was nog jong, zooals men aan de zes rijen tanden zien kon, die in den vorm van gelijkbeenige driehoeken in de bovenkaak zaten. Koenraad bekeek het beest met een wetenschappelijke belangstelling, en ik ben er zeker van dat hij het reeds bij een bijzondere klasse indeelde. Terwijl ik dat levenlooze lichaam beschouwde, verscheen er plotseling een dozijn van die vraatzuchtige dieren om onze sloep; maar zonder zich om ons te bekommeren, wierpen zij zich op het kreng en betwistten er elkander de brokken van. Om half negen waren wij weder op den Nautilus; daar overdacht ik de bijzonderheden van onzen tocht naar de oesterbank van Manaar; twee opmerkingen kwamen mij als vanzelf voor den geest; ik dacht vooreerst aan de onvergelijkelijke stoutmoedigheid van kapitein Nemo, en ten anderen aan zijn opoffering voor een menschelijk wezen, een der schepsels, wier geslacht hij, door altijd op zee te blijven, vermeed. Hoe het ook zij, die vreemdsoortige man was er nog niet in geslaagd zijn hart geheel te verstalen. Toen ik hem die opmerking maakte, antwoordde hij mij met eenigszins bewogen stem: "Die Singalees, mijnheer de professor, is een bewoner van het land der verdrukten, ik behoor en zal tot mijn laatsten ademtocht tot dat land behooren." HOOFDSTUK XXVIII De Roode Zee. In den loop van 29 Januari verdween het eiland Ceylon aan den gezichteinder, en de Nautilus gleed met een vaart van twintig kilometer door dien doolhof van kanalen, die de Maladiven van de Laccadiven scheiden. Hij liep onmiddellijk langs het eiland Kittan, dat door koralen gevormd, door Vasco de Gama in 1499 ontdekt werd, en een van de negentien voornaamste eilanden is van den Laccadiven-archipel, welke tusschen 10° en 14° 30' N.B. en 69° en 50° 72' O.L. ligt. Wij hadden toen 16220 kilometer afgelegd, sedert wij de Japansche zee verlaten hadden. Den volgenden dag, 30 Januari, kwam de Nautilus weer boven, doch wij hadden geen land in het gezicht; de richting was N.N.W. en wij naderden de zee van Osman, tusschen Arabië en Voor-Indië, waarin de Perzische golf hare monding heeft. Wij voeren in een zee zonder ingang. Waar bracht ons kapitein Nemo toch heen? Ik zou het niet hebben kunnen zeggen; Ned Land was daarover zeer ontevreden, toen hij er mij dien dag naar vroeg. "Wij gaan daarheen waar de luimen van den kapitein ons voeren willen, Ned," zei ik. "Die luimen kunnen ons niet ver brengen," antwoordde de Amerikaan. "De Perzische golf heeft geen uitgang, en als wij er binnenvaren; zullen wij spoedig langs dienzelfden weg moeten terugkeeren." "Welnu, wij zullen dan terugkeeren, Ned, en als de Nautilus daarna de Roode zee bezoekt, bestaat de straat van Bab-el-Mandeb toch nog altijd om ons door te laten." "Ik zal u wel niet behoeven te zeggen, mijnheer," antwoordde Ned Land, "dat de Roode zee even goed is afgesloten als de Perzische golf, omdat het Kanaal van Suez nog niet is doorgegraven; en al ware dit het geval, dan zou dit geheimzinnig vaartuig zich toch niet in dat door sluizen afgesloten water wagen. De Roode zee is dus ook de weg niet, langs welken wij Europa zullen bereiken." "Ik heb ook niet gezegd, dat wij naar Europa gaan." "Wat veronderstelt gij dan?" "Ik veronderstel, dat de Nautilus, na de merkwaardige zee tusschen Arabië en Egypte bezocht te hebben, naar den Indischen Oceaan terug zal keeren, hetzij door het kanaal van Mozambique, hetzij langs de Maskarenen, om zich van daar naar de Kaap de Goede Hoop te richten." "En als wij daar zijn?" vroeg Ned Land met bijzonderen nadruk. "Welnu, dan zullen wij den Atlantischen Oceaan bezoeken, dien wij nog niet kennen. Maar zeg eens, vriend Ned, verveelt u dan die onderzeesche reis? Hebt gij dan reeds overgenoeg van het steeds afwisselend schouwspel der onderzeesche wonderen? Wat mij aangaat, ik zal met groote spijt een reis zien eindigen, waartoe zoo weinig menschen in de gelegenheid zijn geweest." "Maar weet gij wel, mijnheer Aronnax," vroeg de Amerikaan, "dat wij nu haast drie maanden op dien Nautilus gevangen zitten." "Neen, Ned, dat weet ik niet, ik wil het niet weten, en ik tel niet eens de dagen of de uren." "En wat zal het einde zijn?" "Dat zullen wij mettertijd zien. Bovendien kunnen wij er niets aan doen, en wij verpraten daarover onnut onzen tijd. Als je mij kwaamt zeggen, Ned: 'er bestaat kans om te ontsnappen,' dan zou ik er eens met je over praten; maar zoover is het nog niet, en om ronduit te spreken, geloof ik ook niet dat de kapitein zich ooit in de Europeesche zeeën waagt." Door dit korte gesprek zal men gewaar worden dat ik dweepte met den Nautilus en als het ware met den kapitein vereenzelvigd was. Wat Ned Land aanging, hij eindigde het gesprek met als tot zich zelven te zeggen: "dat is alles goed en wel, maar volgens mijn meening bestaat er geen genoegen met dwang." Gedurende vier dagen, dus tot 3 Februari, doorkliefde de Nautilus de zee van Oman met verschillende snelheid en op onderscheiden diepte. Het vaartuig ging onzeker voorwaarts, alsof men aarzelde welken weg te kiezen, maar het kwam nimmer over den kreeftskeerkring uit. Toen wij die zee verlieten, hadden wij een oogenblik Mascate, de belangrijkste stad van Oman, in het gezicht. Ik bewonderde het vreemde uiterlijk dier plaats, te midden van de haar omringende zwarte rotsen, waartegen de witte forten en huizen zoo helder afsteken. Ik zag den ronden koepel der moskeeën, de bevallige punten der minarets, en de met frisch groen bedekte terrassen, maar het was slechts voorbijgaand, want de Nautilus schoot weldra weer onder de golven voorwaarts. Toen volgden wij op een afstand van zes kilometer de bochtige kusten van Mahrah en Hadhrahmout in het zuiden van Arabië, met hare bergen, waarop zich hier en daar eenige bouwvallen vertoonden. Den 5den Februari kwamen wij de golf van Aden binnen, die er uitziet als een trechter, dien men in den hals eener flesch heeft gestoken; die flesch is de roode zee, en de hals is Bab-el-Mandeb, waardoor het water uit de Indische zee in de Roode getapt wordt. Den volgenden dag dreef de Nautilus in het gezicht van Aden, dat op een klein schiereiland ligt, een soort van ontoegankelijk Gibraltar, waar de Engelschen forten hebben gebouwd nadat zij het in 1839 bezet hadden. Ik zag de achthoekige minarets der stad, die volgens den geschiedschrijver Edrisi vroeger de rijkste en meest handeldrijvende stapelplaats der geheele kust was. Ik meende wel dat kapitein Nemo nu zou terugkeeren, doch ik bedroog mij en tot mijn groote verbazing deed hij dit niet. Den 7den Februari kwamen wij in de straat van Bab-el-Mandeb, dat in het Arabisch beteekent "Tranenpoort." Zij is twintig kilometer breed en twee en vijftig lang; de Nautilus liep met volle vaart in minder dan een uur er door, doch ik zag niets, zelfs niet het eiland Perim, dat de Engelsche regeering heeft doen bezetten, om daardoor de stelling van Aden te versterken. Er kwamen voortdurend te veel stoombooten der Engelsche of Fransche maildiensten door deze nauwe zeestraat dan dat de Nautilus er zich kon vertoonen; daarom bleef zij wijselijk onder water. Eindelijk waren wij des middags in de Roode zee. De Roode zee, de beroemde golf der bijbelsche overlevering, die nooit door regen verfrischt wordt, waarin geen enkele stroom zijn water uitstort, die door gestadige uitdamping onophoudelijk water verliest, zoodat zonder toevoer uit de Indische zee de hoogte jaarlijks anderhalven meter verminderen zou! Zonderlinge golf dus, die wanneer zij als een meer geheel door het land ingesloten was, misschien volkomen zou uitdrogen; zij verschilt in dit opzicht dus geheel van de naburige Kaspische en Doode zeeën, wier peil slechts zooveel door verdamping verlaagt, als de massa water bedraagt, die er door de rivieren wederom wordt ingebracht. De Roode Zee heeft een lengte van 2600 kilometer, en is gemiddeld 240 kilometer breed. In den tijd van de Ptolemaeën en der Romeinsche keizers was zij de groote slagader van den wereldhandel, en de doorgraving der landlengte van Suez heeft haar de belangrijkheid van vroeger eeuwen geheel teruggegeven. Ik wilde niet eens trachten te begrijpen, waarom de kapitein besloot ons in deze golf te brengen, maar zonder voorbehoud keurde ik het goed dat de Nautilus er binnen voer. Wij vorderden met geringe snelheid, en dreven dan eens aan de oppervlakte, dan weer onder water, als wij eenig schip moesten vermijden; zoodat ik gelegenheid had de oppervlakte en den bodem van deze merkwaardige zee beide te beschouwen. Den 8sten Februari kregen wij bij het aanbreken van den dag Mekka in het gezicht; de stad ligt thans in puin, de muren zouden bij een enkel kanonschot instorten, en worden ter nauwernood door eenige dadelboomen beschaduwd. Het was eertijds een belangrijke stad met zes openbare marktpleinen, zevenentwintig moskeeën en de muren, die door veertien forten beschermd werden, hadden een omtrek van drie kilometer. Daarop naderde de Nautilus de Afrikaansche kust, waar de diepte der zee veel grooter is. Daar konden wij in het kristalhelder water door de ruiten van den salon die prachtige struiken van schitterende koralen, en de uitgestrekte rotswanden beschouwen, waarop een heerlijk schoon tapijt van zeewier en andere zeeplanten was uitgespreid. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel, en welk een verscheidenheid van vormen en kleuren langs die klippen en vulkanische eilandjes, die de Lybische kust omzoomen! Doch die flora verscheen in al hare schoonheid langs de oostkust, waar de Nautilus weldra heenging; het was op de kust van Tehema; want toen zagen wij die verscheidenheid van planten niet alleen onder het vlak der zee, maar zij slingerden zich zelfs tot op tien voet hoogte ook daar boven in elkander; de laatsten waren grilliger van vorm, doch minder kleurig dan de eersten, omdat de voedingkracht van het water de frischheid der kleuren waarschijnlijk meer bevorderde. Hoeveel aangename uren bracht ik voor de ramen van den salon door! Hoeveel nieuwe voorwerpen uit de onderzeesche dieren- en plantenwereld bewonderde ik niet in den schijn van ons electrisch licht! Paddenstoelvormige sponzen, leigrijze kliprozen, onder anderen de thalassiantus aster (bloeiende zeeasters), kriskoralen als fluiten, slechts wachtende op den adem van Pan, schulpen die men elders niet aantreft, uitloopende in korte spiralen en vastzittende in holligheden van sterkoralen, en eindelijk bij duizenden de gewone spons die ik nog niet had opgemerkt. De spons is geen plantaardig voorwerp, zooals nog door sommige natuuronderzoekers beweerd wordt, maar een dier, dat echter op den allerlaagsten trap van dierlijk leven en nog beneden de koralen staat. Dat het een dier is, lijdt geen twijfel; zelfs moet men zich losmaken van de meening der ouden, die de sponsen beschouwden als plantdieren, voorwerpen tusschen de planten- en de dierenwereld staande. Ik moet echter aanmerken, dat de natuuronderzoekers het niet eens zijn over de plaats, die aan de sponsen moet worden toegekend. Sommigen rekenen ze tot de poliepen, anderen, waaronder Milne Edwards, willen ze geheel afzonderlijk geplaatst hebben. De sponsachtige lichamen tellen omtrent driehonderd soorten; zij worden in zeer vele zeeën aangetroffen; zelfs ook in enkele stroomen, en heeten dan riviersponsen. Maar het meest vindt men ze in de Middellandsche Zee, in den Griekschen Archipel, langs de Syrische Kust en in de Roode Zee. Daar vindt men dan ook die fijne, zachte sponsen, die wel eens met anderhalf honderd frank betaald werden, de geelachtige Syrische, de harde Barbarijsche en andere, Maar daar ik geen hoop kon voeden om deze plantdieren in de nabijheid van een der Levant-steden--van welke ons de landengte van Suez scheidde--in oogenschouw te kunnen nemen, vergenoegde ik mij er in de Roode Zee kennis mee te maken. Ik riep dus Koenraad bij mij, terwijl de Nautilus, ter diepte van acht tot negen meter, zachtjes langs de fraaie rotsen der oostelijke kust gleed. Daar groeiden allerlei sponsen, gestengelde, gebladerde, bolvormige, gevingerde. Zij beantwoordden juist aan de bijnamen; korfjes, bekers, spinrokken, elandhorens, leeuwenpooten, pauwstaarten, Neptunus handschoenen, die de visschers, dichterlijker van uitdrukking dan de mannen der wetenschap, er aan gegeven hebben. Uit haar vezelachtig weefsel, dat met een half-vloeibare geleiachtige zelfstandigheid bedekt is, schoten onophoudelijk kleine waterstralen, door een samentrekkende kracht uitgespoten, nadat dit water eerst leven had gewekt in iedere holligheid. Deze zelfstandigheid verdween na den dood van de poliep en gaf, vergezeld met het afgeven van ammoniak, een afschuwelijken stank. Er blijft dan niets over dan de hoornachtige vezelstof, waaruit de gewone rotsachtige sponsen bestaan, die naar gelang van zachtheid en andere dergelijke eigenschappen, tot verschillend huiselijk gebruik dienen. Deze poliepaardige plantdieren zaten aan rotsen, aan schulpen van weekdieren en zelfs aan de waterplanten. Zij vulden zelfs de kleinste spleten; sommigen spreidden zich uit, anderen richtten zich overeind of hingen als koraalvormige uitwassen nederwaarts. Ik vertelde aan Koenraad, dat die sponsen op tweeërlei wijze gevischt worden, met een dreg of met de hand. Deze laatste handelwijze, waarvoor duikers noodig zijn, is de verkieslijkste, want als men het weefsel weet te sparen, zijn de sponsen er des te meer om waard. De andere plantdieren, die naast de sponsachtige leefden, bestonden voornamelijk in zeer fraaie soorten van zeekwallen; onder de weekdieren merkte ik onderscheidene soorten van calmars of blakvisschen op, die volgens d'Orbigny aan de Roode Zee bepaald eigen zijn, gelijk ook onder de kruipende dieren de schilpadden, die den bijnaam Virgala hebben en tot de soorten behooren, die een gezochte, voedzame en smakelijke spijze opleveren. Visschen waren er zeer talrijk; sommige soorten zeer merkwaardig. Die, welke door den Nautilus met haak en lijn werden gevangen, bijv. de rog, waaronder de gemarmerde, met blauwachtige vlekken en dubbel getanden staart, die met zilverkleurigen rug, die met een punt-staart en vinnen ter grootte van een paar meter, de tandelooze, de haaiachtige en kraakbeenachtige, tot de familie der roggen behoorende; voorts koffervisschen (osiraciou), waaronder de drommedaris met een bultvormig uitwas; uitloopende in een omgebogen stekel van anderhalven voet lengte; ook nog palingen met zilverkleurigen staart, blauwachtigen rug en bruine borstvinnen met grijs omboord; lipvisschen en een menigte andere zeedieren. Den 9den Februari dreef de Nautilus in het breedste gedeelte der Roode zee, dat tusschen Suakin op de west- en Ghunfuda op de oostkust, ter breedte van 190 kilometer gevonden wordt. Nadat de zonshoogte genomen was, kwam de kapitein op het plat, waar ik mij op dat oogenblik bevond. Ik besloot bij mij zelven hem niet weer naar beneden te laten gaan, voordat ik iets meer van zijn verdere plannen wist. Toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe, bood mij een sigaar aan en zei: "Welnu, mijnheer de professor, hoe vindt gij de Roode zee? Hebt gij de wonderen goed bekeken die zij bevat, de visschen en zoöphyten, de sponsenbedden en koraalbosschen? Hebt gij de steden op de kust kunnen zien?" "Ja, kapitein," antwoordde ik, "en de Nautilus heeft die studie wonderwel bevorderd: het is een verstandig schip." "Zeker, mijnheer, verstandig, stoutmoedig en onkwetsbaar; het is niet bevreesd voor de vreeselijke stormen, stroomen of klippen dezer zee."' "Deze zee wordt inderdaad als een van de onstuimigste opgegeven, en indien ik mij niet bedrieg, dan stond zij in de oudheid in den slechtsten reuk." "Afschuwelijk, mijnheer Aronnax; de Grieksche en Latijnsche geschiedschrijvers spreken niet in haar voordeel, en Strabo zegt, dat zij vooral zeer onstuimig is in den tijd van de zomerwinden en van de regens. De Arabische schrijver Edrisi verhaalt, dat tal van groote schepen op de zandbanken te gronde gingen, en dat niemand het waagde er 's nachts te varen. Het is, zooals hij zegt, een zee, waar de vreeselijkste orkanen heersenen, vol onherbergzame eilanden, en die noch in de diepte, noch op hare oppervlakte iets goeds oplevert. Zoo is toch de door Arrianus, Agatharchides en Artimidorus uitgedrukte meening. "Men ziet het wel," antwoordde ik, "dat de geschiedschrijvers niet aan boord van den Nautilus geweest zijn." "Zonder twijfel," antwoordde de kapitein lachend, "en in dat opzicht zijn de nieuwere schrijvers niet veel verder dan de oude. Er zijn eeuwen noodig geweest om de kracht van den stroom na te gaan; wie weet of men over honderd jaar wel een tweeden Nautilus zien zal! De wetenschap vordert slechts langzaam, mijnheer Aronnax." "Zeker," antwoordde ik, "gij zijt met uw vaartuig een eeuw vooruit, misschien wel meer dan éen. Hoe ongelukkig, dat zulk een uitvinding met den uitvinder moet te gronde gaan!" De kapitein gaf geen antwoord; na eenige minuten zwijgens hernam hij; "Gij spraakt van de meening der oude geschiedschrijvers over de gevaren, waarmee de vaart over de Roode zee vergezeld gaat?" "Ja," antwoordde ik, "maar was hun vrees niet overdreven?" "Ja en neen, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, die de Roode zee nauwkeurig scheen te kennen. "Wat nu niet meer gevaarlijk is voor nieuwere goed gebouwde schepen, die zich door stoomkracht naar willekeur kunnen bewegen, was het wel voor alle soort van vaartuigen der ouden. Stel u die zeevaarders der oudheid voor in hun schuiten, wier planken met palmvezels aan elkander genaaid, met gesmolten hars gebreeuwd, en met zeehondenvet besmeerd waren. Zij hadden geen instrumenten om hun richting waar te nemen, en zij voeren maar op de gis, te midden van hun geheel onbekende stroomen. Onder zulke omstandigheden moesten schipbreuken dikwijls voorkomen; maar in onzen tijd hebben de stoombooten, die tusschen Suez en Indië dienst doen, niets meer van de stormen in deze zee te vreezen. Gezagvoerders en reizigers brengen voor hun vertrek geen zoenoffers meer, en als zij terugkomen, gaan zij niet meer met kransen en linten getooid, den goden in den eersten den besten tempel danken voor hun behouden aankomst." "Ik stem dit toe, want de stoom schijnt de dankbaarheid in het hart der zeelieden te hebben uitgedoofd. Maar kapitein, daar gij deze zee bijzonder schijnt bestudeerd te hebben, zult gij mij misschien wel kunnen zeggen hoe haar naam ontstaan is?" "Hiervoor zijn verschillende uitleggingen, mijnheer. Wilt gij de meening van een kronijkschrijver uit de 14de eeuw weten?" "Gaarne." "Die phantast beweert, dat die naam er aan gegeven werd na den doortocht der Israëlieten, toen de Egyptische Pharao was omgekomen in de golven, welke zich op Mozes' bevel over hem sloten; 'ten teeken van dit wonder,' zegt hij, 'werd de zee rood en vermiljoen, en men noemt haar sedert dien tijd niet anders dan de Roode zee.'" "Dat is een dichterlijke verklaring, kapitein, maar daar ben ik niet mee tevreden. Ik vraag u dus hoe gij zelf er over denkt?" "Ik geloof, mijnheer Aronnax, dat men in die benaming de vertaling zien moet van het Hebreeuwsche woord 'Edom' en als de ouden haar dien naam gaven, was het om de bijzondere kleur van het water." "Tot nog toe heb ik echter enkel helder water, zonder eenige bijzondere kleur gezien." "Zonder twijfel; maar als gij verder de zee inkomt, zult gij die zonderlinge tint opmerken. Ik herinner mij de golf van Suez bij Tor geheel roodgekleurd te hebben gezien, even alsof het een meer met bloed was." "En schrijft gij die kleur aan mikroskopisch fijn zeewier toe?" "Ja, het is een purperkleurige slijmachtige stof, voortgebracht door kleine plantjes, waarvan er 40.000 noodig zijn om een kubieken millimeter te vullen. Misschien zult gij er wel zien, als wij bij Tor komen." "Het is dus de eerste maal niet, kapitein, dat gij met den Nautilus in de Roode zee komt?" "Neen, mijnheer." "Omdat gij straks gesproken hebt van den doortocht der Israëlieten en de vernietiging van het Egyptische leger, wilde ik van u wel eens weten of gij onder water de sporen van dit groot geschiedkundig feit ook herkend heb?" "Neen, mijnheer de professor, en dit om een goede reden." "Welke?" "Omdat de plaats, waar Mozes met zijn volk is doorgetrokken, zoo verzand is, dat de kameelen er ter nauwernood tot aan de knieën door het water gaan. Gij begrijpt, dat mijn Nautilus er dus geen vaarwater vinden kan." "En die plaats?" vroeg ik. "Die plaats is een weinig boven Suez gelegen, in den zeearm, die vroeger een diepen inham vormde, toen de Roode zee zich nog tot aan de Bittermeren uitstrekte. Of die doortocht een wonder is geweest of niet, zeker is het dat de Israëlieten daar doorgetrokken zijn om het Heilige land te bereiken, en dat het leger van den Egyptischen koning juist op die plek is omgekomen. Ik geloof dus, dat, als men in dat zand ging graven, men een groote menigte Egyptische wapenen en werktuigen zou vinden." "Dat is duidelijk," antwoordde ik, "en het is voor de oudheid-kenners te hopen, dat men vroeg of laat die opgravingen zal beginnen, wanneer na de doorgraving der landengte van Suez hier nieuwe steden zullen verrijzen. Voor vaartuigen als de Nautilus is het een zeer ondoelmatig kanaal!" "Zeker, maar nuttig voor de geheele wereld; de ouden hadden het wel begrepen, dat het in het belang van hun handel zou zijn om de Roode en Middellandsche Zeeën met elkander te verbinden; doch zij dachten er niet aan een regelrecht kanaal te graven en zij gebruikten daarvoor gedeeltelijk den Nijl. Waarschijnlijk werd met het kanaal, dat deze rivier met de Roode zee verbindt, een aanvang gemaakt onder Sesostris, ten minste als men de overlevering gelooven mag. Zeker is het dat in 615 v. Chr. Necho een kanaal begon te graven, dat door het oostelijkste deel van Egypte gaande, met Nijlwater zou gevoed worden. Men kon dit kanaal in vier dagen opvaren, en het was zoo breed, dat twee roeischepen elkander gemakkelijk konden voorbijkomen. Het werd door Darius Hystaspes voortgezet en waarschijnlijk onder Ptolemaeus II voltooid. Strabo zag het gebruiken, maar de zwakke helling tusschen het punt van aanvang bij Bubastis en de Roode zee, maakte het slechts gedurende eenige maanden van het jaar bevaarbaar. Dit kanaal diende tot op den tijd van de Antonijnen voor den handel; verlaten, verzand en later hersteld op last van kalif Omar, werd het in 761 of 762 door kalif Ahnansor onbevaarbaar gemaakt, omdat hij wilde beletten, dat men levensmiddelen zou brengen naar Mohammed Ben Abdullah, die tegen hem in opstand was. Gedurende den tocht naar Egypte vond uw generaal Bonaparte de sporen dezer werken in de woestijn van Suez, en door den vloed overvallen, was hij bijna omgekomen, voordat hij Hadjaroth had kunnen bereiken, waar Mozes 3500 jaren vóór hem zijn legerkamp had opgeslagen." "Welnu, kapitein, wat de ouden niet hebben durven ondernemen, de verbinding tusschen de beide zeeën, waardoor de weg van Marseille naar Indië 9000 kilometer korter zal worden, dat heeft de Lesseps gedaan en binnen kort zal hij Afrika tot een groot eiland gemaakt hebben." "Ja, mijnheer Aronnax, gij hebt reden om op uw landgenoot fier te zijn. Hij is een man die eene natie meer tot eer verstrekt dan de grootste veldheeren. Hij had, evenals vele anderen, met moeielijkheden en tegenstand te kampen, maar hij heeft gezegevierd, want hij bezat een vasten wil. Het is treurig als men bedenkt dat dit werk, dat door alle natiën te zamen had moeten ondernomen worden, en dat voldoende zou geweest zijn om de regeering van een vorst beroemd te maken, slechts gelukt is door de geestkracht van een enkel man; eere zij dus aan de Lesseps!" "Ja, eere aan dien grooten burger," antwoordde ik, verwonderd over den toon waarop kapitein Nemo gesproken had. "Ongelukkig," hernam hij, "kan ik u niet door het Kanaal van Suez brengen; maar gij kunt overmorgen de lange havenhoofden van Port-Said zien, als wij in de Middellandsche zee zijn." "In de Middellandsche zee?" "Ja, mijnheer; verwondert u dat?" "Het verwondert mij dat wij er overmorgen reeds zullen zijn." "Zoo?" "Ja, kapitein, hoewel ik mij eigenlijk over niets meer verwonderen moest sedert ik bij u aan boord ben." "Maar waarom verwondert het u?" "Over de ijzingwekkende snelheid, waarmede de Nautilus om Afrika zal moeten varen, om overmorgen in de Middellandsche zee te zijn!" "En wie zegt u dat wij om Afrika heengaan, mijnheer de professor? "Wie spreekt er van om langs de Kaap de Goede Hoop te varen?" "Althans als de Nautilus niet over land of over de landengte heengaat...." "Of er onder door, mijnheer Aronnax. "Er onder door?" "Zonder twijfel," antwoordde de kapitein bedaard. "Sedert lang heeft de natuur onder de landengte gevormd, wat de menschen er boven op maken." "Hoe! bestaat er een doortocht?" "Ja een onderaardsche doorgang, waaraan ik den naam van Arabischen tunnel gegeven heb. Deze begint even beneden Suez en eindigt in de golf van Pelusium." "Maar de landengte bestaat enkel uit beweegbaar zand?" "Tot op zekere diepte; maar op vijftig meter vindt men reeds een onwrikbaren rotsgrond." "En hebt gij dien doorgang bij toeval ontdekt?" vroeg ik hoe langer zoo meer verbaasd. "Door toeval en redeneering, of eigenlijk nog meer door de laatste dan door het eerste." "Ik luister, kapitein, doch kan het haast niet gelooven." "Och, mijnheer! 'zij hebben ooren en hooren niet,' zal ten allen tijde waar blijven. Niet alleen bestaat die doorgang, doch ik ben er verscheiden malen doorgegaan. Zonder dat zou ik mij nu niet in de Roode zee gewaagd hebben." "Ben ik ook onbescheiden, als ik u vraag hoe gij dien tunnel ontdekt hebt?" "Mijnheer," antwoordde mij de kapitein, "er kan geen geheim bestaan tusschen menschen, die elkander niet meer verlaten moeten." Ik lette schijnbaar niet op dit gezegde en wachtte op het verhaal van den kapitein. "Het is de redeneering van een natuuronderzoeker, mijnheer de professor," zei hij, "die mij er toe gebracht heeft dezen doorgang te ontdekken, welken ik alleen ken. Ik had opgemerkt dat er in de Roode en Middellandsche Zeeën een zeker aantal van volkomen dezelfde vischsoorten gevonden werd. Toen ik hiervan zeker was, vroeg ik mij af of er geen gemeenschap tusschen de beide zeeën bestond. Zoo ja, dan moest de onderaardsche stroom noodwendig van de Roode naar de Middellandsche Zee gaan, omdat het peil der beide zeeën verschilt. Ik ving dus een groot aantal visschen in den omtrek van Suez, deed hun een koperen ringetje aan den staart, en wierp ze toen weer in zee. Eenige maanden daarna ving ik aan de kust van Syrië eenige van die visschen met zulk een ring. De gemeenschap tusschen de beide zeeën was dus bewezen. Ik zocht haar met mijn Nautilus, ik ontdekte die, waagde mij er in, en weldra, mijnheer de professor, zult ook gij door den Arabischen. tunnel gevaren zijn." HOOFDSTUK XXIX De Arabische Tunnel. Dienzelfden dag deelde ik aan Koenraad en Ned Land het gedeelte van het gesprek mede, dat hun belang kon inboezemen. Toen ik hun vertelde dat wij binnen twee dagen in de Middellandsche Zee zouden zijn, klapte Koenraad in de handen, maar de Amerikaan trok de schouders op. "Een onderzeesche tunnel!" riep hij uit, "een gemeenschap tusschen de beide zeeën! Wie heeft daar ooit van gehoord?" "Vriend Ned," zei Koenraad, "hadt gij ooit van den Nautilus hooren spreken? Neen! En toch bestaat die. Trek dus niet zoo lichtvaardig de schouders op, en twijfel niet aan de dingen, onder voorwendsel dat gij er nooit van hebt hooren spreken." "Wij zullen wel eens zien!" antwoordde Ned Land, het hoofd schuddende. "Maar ik zou niets liever dan aan dien doortocht gelooven; de Hemel geve dat hij ons inderdaad in de Middellandsche Zee brenge!" Denzelfden avond dreef de Nautilus op 21° 30' N.B. aan de oppervlakte en naderde de Arabische kust. Ik zag Djeddah, de belangrijke stapelplaats voor de Egyptische. Syrische, Turksche en Indische waren; ik kon vrij duidelijk de gebouwen en de schepen langs de kaden en op de reede onderscheiden. De zon, die vrij laag stond, scheen vlak op de huizen der stad, en deed er de witheid des te meer van uitkomen. Buiten de stad duidden eenige houten en rieten hutten verblijf het der Bedouïnen aan. Weldra verdween Djeddah uit het gezicht en de Nautilus dook weer onder het water, dat op dat oogenblik eenigszins phosphoriseerde. Den volgenden dag, 10 Februari, verschenen verschillende schepen, die eene andere richting als wij volgden. De Nautilus zette haar tocht onder zee door, doch toen om twaalf uur, op het oogenblik dat de zonshoogte moest genomen worden, de zee verlaten was, kwamen wij weer boven. Ik ging met Ned Land en Koenraad op het plat zitten. De oostkust was door den vochtigen mist nauwelijks zichtbaar. Op den rand der sloep geleund, spraken wij over koetjes en kalfjes, toen Ned zijn hand uitstrekkende, zei: "Ziet gij daar niets, mijnheer?" "Neen, Ned," antwoordde ik, "maar gij weet wel dat ik uw oogen niet heb." "Zie eens goed," hernam Ned, "daar aan stuurboord vóór ons uit, zoowat boven de lantaarn. Ziet gij daar geen voorwerp, dat zich schijnt te bewegen?" "Waarlijk," zei ik, na nauwkeurig te hebben toegezien, "ik zie een lang zwartachtig lichaam op het water drijven." "Een anderen Nautilus?" vroeg Koenraad. "Neen," antwoordde Ned, "maar als ik mij niet sterk vergis, is het een zeedier." "Zijn er walvisschen in de Roode Zee?" vroeg Koenraad. "Ja, mijn jongen," antwoordde ik, "soms ontmoet men ze nog." "Het is geen walvisch," zei de harpoenier, die het voorwerp niet uit het oog verloor. "De walvisschen en ik zijn oude kennissen, en ik zou mij daarin met bedriegen." "Laten wij maar wachten," merkte Koenraad op; "de Nautilus gaat dien kant uit, en spoedig zullen wij zien wat het is." Inderdaad, het zwarte voorwerp was weldra geen vier kilometer meer van ons af. Het geleek op een groote klip midden in zee. Wat was het? Ik kon het nog niet zeggen. "O, het beweegt zich! het duikt!" riep Ned Land uit, "duizend duivels, wat is dat voor een dier? Het heeft geen gespleten staart zooals walvisschen of potvisschen en de zwemvliezen lijken op stompen." "Maar....?" vroeg ik. "Daar," riep de Amerikaan, "nu ligt het dier op den rug met de borsten in de lucht!" "Het is een sirene!" zei Koenraad, een wezenlijke sirene, als mijnheer 't niet kwalijk neemt." "De naam van sirene bracht mij op den weg, en ik begreep, dat dit beest tot die orde van zeedieren behoorde, waarvan de fabel sirenen, half vrouw en half visch, gemaakt heeft." "Neen," zei ik tot Koenraad, "het is geen sirene, maar een zonderling beest, waarvan er ternauwernood eenige exemplaren in de Roode zee zijn overgebleven. Het is een dugong." Ned Land's oogen schitterden van begeerte op het zien van dit dier; zijn hand scheen gereed om het te harpoenen. Men zou zelfs gezegd hebben, dat hij in zee wilde springen, om het in zijn element te bestrijden. "O, mijnheer!" riep hij met een stem, die van aandoening beefde, "zoo iets heb ik nog nooit gedood!" Zijn geheele ziel lag in dit woord, Op dat oogenblik kwam kapitein Nemo op het plat. Hij zag den dugong, begreep de houding van den Amerikaan, en vroeg hem: "Als ge een harpoen hadt, meester Land, zou die u dan niet in de hand branden?" "Zeker, mijnheer." "En zoudt gij gaarne voor één dag uw ambacht van visscher weer opvatten, om dit dier bij de lijst te voegen van die gij reeds getroffen hebt?" "Zeker zou ik dat graag." Welnu, gij kunt het eens probeeren." "Dank u, mijnheer," riep Ned Land met schitterende oogen. "Slechts dit raad ik u," hernam de kapitein, "dat gij het dier zeker treft, en dit in uw eigen belang." "Is zulk een dugong dan gevaarlijk?" vroeg ik, niettegenstaande het minachtend schouderophalen van Ned. "Ja, soms," antwoordde de kapitein. "Dit dier laat zijn aanvallers niet los, het werpt hun boot om. Maar met Ned Land is dat gevaar niet te vreezen. Zijn oog is juist, zijn arm zeker. Indien ik hem aanbeveel om dien dugong niet te missen, doe ik dat, omdat het een fijn stuk wild is, en ik weet wel, dat Ned niet afkeerig is van een lekker hapje." "Zoo," zei de Amerikaan, "veroorlooft dit dier zich ook al de weelde van lekker te zijn?" "Ja, Ned; zijn vleesch wordt zeer gezocht, en men bewaart het in den Maleischen archipel voor vorstelijke tafels. Men jaagt dan ook zoo fel op dit uitmuntend dier, dat het, evenals zijns gelijke, de zeekoe, hoe langer zoo zeldzamer wordt. "Als dit dier dan eens bij toeval het laatste van zijn soort was," vroeg Koenraad ernstig, "zou het dan geen zaak zijn om het in het belang der wetenschap te sparen?" "Misschien," hervatte de Amerikaan, "doch in het belang van den kok om het te vangen." "Doe het dan, meester Land," antwoordde de kapitein. Op dat oogenblik kwamen zeven mannen van de equipage, zwijgend en onverschillig als altijd, op het plat. Een van hen droeg een harpoen en een lijn zooals de walvischvaarders gebruiken. De sloep werd in zee gebracht; zes roeiers namen plaats op de banken, en de zevende ging aan het roer zitten. Ned, Koen en ik namen op een achterbank plaats. "Gaat gij niet mee, kapitein?" vroeg ik. "Neen, mijnheer, maar ik wensch u goede vangst." De sloep stak af en door zes riemen voortgestuwd, naderde Zij snel den dugong, die op dat oogenblik ongeveer twee kilometer van den Nautilus af was. Op eenige kabellengten van het dier gekomen, roeiden wij langzamer, en de riemen werden zoo stil mogelijk door het kalme water bewogen. Ned Land ging met zijn harpoen in de hand op de voorplecht der sloep staan. Gewoonlijk is zulk een harpoen bevestigd aan een lang touw, dat snel afgewonden wordt als het gewonde dier met een harpoen in het lichaam vlucht. Maar thans was die lijn niet langer dan tien vadem, doch aan het einde zat een klein vaatje vast, dat drijvende de plaats moest aanwijzen, waar de dugong zich onder water bevond. Ik was opgestaan en bekeek onzen vijand nauwkeurig. Deze dugong geleek veel op een zeekoe, het lange lichaam eindigde in een zeer langen staart, en de zijvinnen hadden wezenlijke vingers aan de toppen. Het onderscheid tusschen dit dier en de zeekoe bestond daarin, dat het in de bovenkaak twee lange en puntige tanden had, welke aan elke zijde een naar buiten staand verdedigingswapen vormden. De dugong was bijzonder groot, want hij was niet minder dan zeven meter lang. Hij bewoog zich niet en scheen op het water te slapen, een omstandigheid, die de vangst veel gemakkelijker maakte. De sloep naderde voorzichtig tot op drie vadem; de riemen bleven stil liggen; ik stond half op; Ned Land drilde een weinig achterover gebogen, zijn harpoen met geoefende hand. Plotseling snorde deze, en het dier verdween; het wapen, hoe krachtig ook geworpen, had zonder twijfel niet getroffen. "Duizend duivels!" riep de woedende Amerikaan, "ik heb hem niet geraakt!" "Jawel," zei ik, "het dier is gewond, daar drijft bloed; maar je wapen is hem niet in het lichaam blijven zitten." "Mijn harpoen! mijn harpoen!" riep Ned Land. De matrozen begonnen weer te roeien, en de stuurman richtte de boot naar het drijvende vaatje. Toen dit was opgevischt, begonnen wij het dier weer te vervolgen. Dit kwam van tijd tot tijd boven om adem te halen. De wond had het niet verzwakt, want het zwom bijzonder snel. De sloep, door krachtige armen geroeid, vloog den dugong achterna. Verscheidene malen naderden wij hem tot op eenige vademen, en de Amerikaan hield zich gereed om hem te treffen, maar het beest dook dan plotseling, zoodat het onmogelijk was het te bereiken. Men begrijpe de woede van Ned Land. Hij wierp het ongelukkige dier de krachtigste Amerikaansche vloeken naar den kop. Wij vervolgden het een uur lang, en ik begon te gelooven, dat het moeielijk zou zijn het te vangen, toen de dugong op het noodlottig denkbeeld kwam zich te wreken; dit zou hem weldra berouwen. Hij snelde op de sloep aan om die aan te vallen. Dit ontging niet den Amerikaan. "Let op!" riep hij. De stuurman zei eenige woorden in zijn vreemde taal, en waarschuwde daarmee zijn mannen, zeker om op hun hoede te zijn. Toen de dugong op 7 meter van ons af was, hield hij stil, blies plotseling de lucht uit door zijn groote neusgaten, die niet vooraan maar boven op zijn snuit geplaatst waren, en snelde met een sprong plotseling op ons aan. De sloep kon den schok niet vermijden; half op zij geworpen, schepte zij water, dat moest worden uitgehoosd; gelukkig was zij, dank zij de behendigheid van onzen stuurman, alleen in de schuinte en niet recht tegen een der zijden door het dier getroffen, zoodat zij niet was gekanteld. Ned Land stond altijd op de plecht en doorkerfde het reusachtig monster met harpoensteken, doch het had de tanden over den rand der sloep geslagen en lichtte deze uit het water op, zooals de leeuw een bokje zou doen. Wij werden op elkander geworpen, en ik weet niet hoe dit wel zou geëindigd zijn als de Amerikaan, die altijd nog woedend op het beest was, het eindelijk niet in het hart had getroffen. Ik hoorde de tanden langs de ijzeren platen der sloep knarsen, en de dugong verdween met den harpoen in het lichaam. Maar weldra kwam het vaatje weer boven, en weinige oogenblikken daarna verscheen het lichaam van het dier, doch op den rug gekeerd. De boot roeide er heen, nam den dugong op sleeptouw, en keerde naar den Nautilus terug. Men moest zware en sterke takels gebruiken om het dier op het plat te hijschen; het woog 5000 kilogram; men sneed het in tegenwoordigheid van den harpoenier in stukken, omdat deze er op gesteld was al de bijzonderheden van die bewerking te volgen. Denzelfden dag diende de hofmeester mij aan het diner eenige plakken van het vleesch van den dugong voor, dat door den kok zeer lekker was gereed gemaakt. Ik vond het uitmuntend en beter dan kalfs- zelfs rundvleesch. Den volgenden dag, 11 Februari, werd de kombuis van den Nautilus nogmaals van lekker wildbraad voorzien; een vlucht zeezwaluwen sloeg op den Nautilus neer; het was een soort zwaluw, die bijzonder in Egypte te huis behoort, met zwarten bek, grijzen en gespikkelden kop, met witte vlekjes om het oog, met grijzen rug, vleugels en staart, witte borst en buik en roode pootjes. Ook vingen wij eenige dozijnen Nijleenden, wilde vogels met sterken smaak, wier kop en hals wit met zwarte vlekken zijn. De snelheid van den Nautilus was toen middelmatig. Hij vorderde maar langzaam; ik merkte op, dat het water der Roode zee hoe langer hoe minder zout werd, naarmate wij Suez naderden. Tegen vijf uur 's avonds waren wij op de hoogte van kaap Ras Mohammed; zij vormt het uiteinde van Steenachtig Arabië, en ligt tusschen de golven van Suez en Akabah. De Nautilus voer de straat van Jubal binnen, die ons in de golf van Suez brengen moest. Ik zag duidelijk een hoogen berg, die boven de kaap uitstak; het was de Horeb en de Sinaï op wiens top Mozes God van aangezicht tot aangezicht had gezien, en dien men steeds voorstelt als door bliksemstralen omhuld. Om zes uur ging de Nautilus, dan eens op, dan onder het water, voorbij Tor, dat achter in een baai ligt, welker water rood gekleurd schijnt, zooals de kapitein reeds gezegd had. Toen viel de nacht in te midden van een doffe stilte, somtijds slechts afgebroken door het geschreeuw van den pelikaan, of van eenigen nachtvogel, of door het geluid van de branding tegen de rotsen en het verwijderd gerucht van een stoomboot, die de golven met raderen of schroef doorkliefde. Van acht tot negen uur bleef de Nautilus eenige meters diep onder water. Volgens mijn berekening moesten wij zeer dicht bij Suez zijn; door de ramen van den salon zag ik de rotsen, die door ons electrisch licht helder werden beschenen; het was alsof het zeewater hoe langer hoe nauwer werd. Kwart voor negen kwam het schip weer boven. Ik ging op het plat. Ongeduldig om door den tunnel te komen, kon ik niet lang stil blijven staan, en ademde de frissche zeelucht in. Weldra bemerkte ik in de duisternis een klein lichtje, dat dof door den nevel schijnend, op een kilometer voor ons zichtbaar was. "Een drijvende vuurbaak!" zei een stem naast mij. Ik keerde mij om en herkende den kapitein. "Het is het drijvend licht van Suez," zei hij: "wij zullen nu spoedig aan den ingang van den tunnel zijn." "Die ingang moet niet gemakkelijk wezen?" "Neen, mijnheer. Ook ben ik gewoon dan zelf aan het roer te gaan. Als gij nu naar beneden wilt, mijnheer Aronnax, dan kan de Nautilus in zee duiken, om niet eer weer aan de oppervlakte te verschijnen vóór wij den tunnel door zijn." Ik volgde den kapitein. Het luik ging dicht; de waterbakken werden gevuld, en het vaartuig zonk ongeveer tien meter onder de golven. Toen ik naar mijn kamer wilde gaan, hield Nemo mij staande. "Zeg eens, mijnheer de professor," zet hij, "zoudt gij mij gaarne in den stuurstoel willen vergezellen?" "Ik durfde het u niet te vragen," antwoordde ik. "Kom maar mee, dan zult gij al het mogelijke van deze onderzeesche vaart zien." De kapitein bracht mij naar de middeltrap; halverwege opende hij een deur, volgde een bovengang, en kwam in den stuurstoel, die zooals men weet aan het einde van het plat boven in het vaartuig lag. Het was een hut van zes voet in het vierkant, ongeveer zooals de stuurlieden aan boord van de stoombooten op de Mississippi en den Hudson hebben. In het midden stond een vertikaal rad, dat ingreep in de takels van het roer, dat tot achter onder den Nautilus reikte. Vier groote lenzen, in de vier zijden van de hut aangebracht, lieten den stuurman naar alle zijden vrijen uitkijk. De hut was donker, maar weldra was ik aan de duisternis gewoon, en toen zag ik ook den stuurman, een krachtig man, die de velgen van het rad vasthield. Buiten de hut was de zee helder verlicht door de lantaarn, die achter den stuurstoel, aan de andere zijde van het plat stond. "Nu gaan wij den doorgang zoeken," zei kapitein Nemo. Electrische draden verbonden den stuurstoel met de machinekamer en van daar kon de kapitein aan zijn Nautilus dus zoowel richting als beweging geven. Hij drukte op een metalen knop en aanstonds werd de snelheid verminderd. Ik beschouwde in stilte den hoogen en steilen rotsmuur waar wij langs voeren; wij volgden dien gedurende een uur en bleven er in den regel slechts een paar meter van verwijderd. De kapitein hield het oog geen enkel oogenblik afgewend van het kompas, dat in een ring aan den zolder hing; op een enkel teeken veranderde de stuurman elk oogenblik de richting van den Nautilus. Ik zat bij het glas aan bakboordzijde, en zag prachtige koralen, zoöphyten, zeegrassen, schaaldieren, die hunne lange pooten uit de spleten der rots staken, enz. Kwart over tienen nam de kapitein zelf het stuurrad in handen. Een breede, donkere en diepe galerij opende zich voor ons; de Nautilus liep die stoutmoedig binnen. Ik hoorde langs de wanden van het schip een ongewoon geraas, het was het water van de Roode Zee, dat door den hellenden tunnel naar de Middellandsche Zee stroomde. De Nautilus volgde pijlsnel dien stroom, niettegenstaande de inspanning der machine, die de schroef in omgekeerde richting deed werken. Op de muren van den nauwen doorgang zag ik niets dan schitterende en vurige strepen, door het electrisch licht en de snelheid van de vaart voortgebracht. Mijn hart klopte hevig; ik hield de handen tegen de borst gedrukt. "Vijf minuten over half elf gaf de kapitein het stuurrad weer over, en zich naar mij wendend, zei hij: "De Middellandsche Zee!" In minder dan twintig minuten was de Nautilus, door den stroom medegesleept, onder de landengte van Suez doorgevaren. HOOFDSTUK XXX De Grieksche Archipel. Den volgenden dag, 12 Februari, kwam de Nautilus bij het krieken van den dag weer boven. Ik haastte mij naar het plat. Op drie kilometer zuidwaarts van ons zag ik den vagen omtrek der kust van Pelusium; een stroom had ons van de eene zee naar de andere gevoerd; maar die tunnel, reeds moeielijk om af te varen, moest onmogelijk op te varen zijn. Tegen zeven uur kwamen Ned en Koenraad weer bij mij; de beide onafscheidelijke vrienden hadden stil geslapen, zonder zich met de heldendaden van den Nautilus te bemoeien. "Welnu, mijnheer de natuurkenner," vroeg de Amerikaan op spottenden toon, "waar is nu de Middellandsche Zee?" "Wij varen op haar oppervlakte, vriend Ned." "Wat," vroeg Koenraad, "van nacht?..." "Jawel, van nacht zijn wij in eenige minuten onder de onovergankelijke landengte heengevaren." "Ik geloof er niets van," antwoordde de Amerikaan. "Gij hebt ongelijk, Ned," hernam ik; "de lage kust, daar in het zuiden zichtbaar, is de Egyptische kust." "Vertel dat aan anderen, mijnheer," zei de stijfhoofdige Amerikaan. "Maar als de professor het toch verzekert," bevestigde Koenraad, "moet je mijnheer gelooven." "Bovendien, Ned, kapitein Nemo heeft mij zijn tunnel leeren kennen, en ik was bij hem in de hut van den stuurman, toen hij zelf den Nautilus door dezen nauwen doorgang stuurde." "Hoor je het, Ned?" zei Koenraad. "En jij, die zulke goede oogen hebt, Ned," voegde ik er bij, "kunt de havenhoofden van Port-Said zien, die ver in zee vooruitsteken." De Amerikaan keek nauwkeurig toe. "Inderdaad," zei hij, "gij hebt gelijk, mijnheer de professor, en uw kapitein is een baas; wij zijn waarachtig in de Middellandsche Zee; goed, laat ons dus nu eens over onze zaken spreken, maar dat vooral niemand ons hoore!" Ik zag wel waar de Amerikaan heen wilde; in allen gevalle achtte ik het beter er over te praten, omdat hij het begeerde, en wij gingen met ons drieën bij de lantaarn zitten, waar wij minder gevaar liepen door den golfslag bespat te worden. "Welnu, Ned, nu luisteren wij naar u," zei ik; "wat hebt gij te vertellen?" "Wat ik u te vertellen heb is dood eenvoudig," antwoordde de Amerikaan; "wij zijn in Europa, en voordat de luimen van kapitein Nemo ons naar de Poolzeën of den Grooten Oceaan terugvoeren, wil ik den Nautilus poetsen." Ik beken, dat dergelijke gesprekken met Ned Land mij altijd in verlegenheid brachten. Ik wilde de vrijheid mijner makkers op geenerlei wijze beletten, doch ik verlangde nog volstrekt niet den kapitein te verlaten. Door toedoen ven hem en zijn vaartuig vermeerderde ik dagelijks mijn kennis van de zee, en ik bewerkte mijn boek over de diepte in dit element zelf. Zou ik ooit zulk een gelegenheid weer vinden, om de wonderen van den Oceaan te kunnen aanschouwen? Neen, zeker niet! Ik kon mij dus niet vereenigen met het denkbeeld den Nautilus vaarwel te zeggen, voordat ik den kring mijner onderzoekingen over den geheelen omtrek der aarde voltooid had. "Vriend Ned," zeide ik, "antwoord mij eens openhartig; verveelt gij u aan boord? Hebt j' er spijt van dat het lot je in de macht van kapitein Nemo heeft gebracht?" De Amerikaan zweeg eenige oogenblikken; toen sloeg hij de armen over elkander en zei: "Eerlijk gesproken, heb ik geen berouw van die onderzeesche reis; ik ben in mijn schik ze meegemaakt te hebben; maar nu ik haar gemaakt heb, moet er ook een einde aan komen; zoo denk ik er over." "Er zal een eind aan komen, Ned." "Waar en wanneer?" "Waar? dat weet ik niet. Wanneer? kan ik ook niet zeggen, doch ik veronderstel dat deze reis zal eindigen, als de zee ons niets meer leeren kan. Al wat in deze wereld een begin heeft, moet noodwendig ook een einde hebben." "Ik denk als mijnheer," voegde Koenraad er bij, "en het is zeer licht mogelijk dat, na alle zeeën van den aardbol doorkruist te hebben, de kapitein ons allen drie ons afscheid geeft." "Ja wel," zei de Amerikaan, "of de volle laag." "Overdrijf nu niet, meester Land," hernam ik. "Wij hebben niets van den kapitein te vreezen, maar ik deel ook niet in het gevoelen van Koenraad. Wij kennen het geheim van den Nautilus, en ik denk niet dat de kapitein, door ons de vrijheid te schenken, er gemakkelijk toe zal overgaan dat geheim door ons wereldkundig te maken." "Maar wat verwacht gij dan?" vroeg Ned. "Dat er zich omstandigheden zullen voordoen, waarvan wij kunnen en moeten gebruik maken, en dat evengoed over zes maanden als thans." "'t Zou wat!" zei Ned Land. "En waar zullen wij over zes maanden zijn, mijnheer de natuuronderzoeker?" "Misschien hier of misschien bij China. Je weet het, dat de Nautilus een groote snelheid bezit; hij doorklieft het water als een vogel de lucht; hij vreest geen druk bezochte zeeën. Wie zegt je dat hij de kusten van Frankrijk, Engeland of Amerika niet zal naderen, waar wij ten minste even goed een vlucht kunnen beproeven als hier?" "Mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, uw redeneering rust op verkeerden grondslag. U spreekt in het toekomende: "dan zullen wij hier of daar zijn!" maar ik spreek in het tegenwoordige; "wij zijn hier en wij moeten daarvan gebruik maken." Ik werd door de logica van Ned Land in het nauw gebracht, en ik voelde dat ik op dat punt geslagen werd. Ik wist niet meer, welke bewijsgronden ik voor mijn stelling moest aanvoeren. "Mijnheer," hervatte Ned, "veronderstellen wij eens het onmogelijke, dat namelijk de kapitein u heden de vrijheid aanbood, zoudt gij die aannemen?" "Ik weet het niet," antwoordde ik. "En als hij er bijvoegde dat het aanbod, dat u heden gedaan werd, nimmer weer herhaald zou worden, zoudt gij dat aannemen?" Ik antwoordde niet. "En wat denkt vriend Koen er van?" vroeg Ned Land. "Vriend Koen," antwoordde deze bedaard, "heeft niets te zeggen. Evenals zijn meester en zijn vriend Ned, is hij ongehuwd. Vrouw, kinderen en bloedverwanten wachten in zijn vaderland niet op hem. Hij is in dienst van mijnheer, hij denkt als mijnheer, hij spreekt als mijnheer, en tot zijn spijt behoeft men op hem niet te rekenen om een meerderheid te verkrijgen. Er zijn dus maar twee personen: mijnheer aan den eenen en Ned Land aan den anderen kant. Nu hij dit gezegd heeft, luistert vriend Koen weer toe en is gereed de aanteekeningen er bij te maken." Ik moest onwillekeurig glimlachen, toen ik Koenraad zijn persoon zoo geheel hoorde wegcijferen; de Amerikaan echter moest blijde zijn hem niet tegen zich te hebben. "Welnu, mijnheer," zei Ned Land, "omdat Koenraad dus niet bestaat kunnen wij met ons beiden de zaak afhandelen. Ik heb gesproken, u hebt geluisterd: wat hebt u te antwoorden?" Ik moest noodwendig een beslissing nemen, en uitvluchten stuitten mij tegen de borst. "Vriend Ned," zei ik, "ziehier mijn antwoord: Je hebt gelijk en mijn bewijzen houden tegenover de uwe geen steek. Gij moet op den goeden wil van kapitein Nemo niet rekenen; de voorzichtigheid verbiedt hem ons de vrijheid terug te geven; derhalve gebiedt deze deugd ons om van de eerste de beste gelegenheid om den Nautilus te verlaten, gebruik te maken." "Goed, mijnheer Aronnax, dat is verstandig gesproken." "Slechts éen opmerking," zei ik, "een enkele: de gelegenheid moet goed zijn; onze eerste poging om te vluchten moet gelukken; want doet zij het niet, dan zullen wij de gelegenheid waarschijnlijk nooit weer krijgen, en kapitein Nemo zal het ons niet vergeven." "Dat is alles heel juist," antwoordde de Amerikaan; "maar uw opmerking is toepasselijk op elke poging om te ontvluchten, hetzij die plaats hebbe over twee jaar of over twee dagen. Derhalve blijft altijd de vraag deze: als een gunstige gelegenheid zich voordoet, moet men er van gebruik maken?" "Juist; en zul je me nu eens zeggen, Ned, wat je door een gunstige gelegenheid verstaat?" "Deze: dat de Nautilus wel in een somberen nacht kort bij eenige Europeesche kust komt." "En zou je dan met zwemmen je trachten te redden?" "Ja, als wij dicht genoeg bij de kust waren en de Nautilus aan de oppervlakte dreef; doch zeker niet als wij te ver van land waren en het vaartuig onder water voer." "En wat zou je in dit geval doen?" "Dan zou ik trachten me van de sloep meester te maken: ik weet ermee om te gaan; wij gaan er binnen in zitten en als wij de ijzeren bouten er uit hebben geschroefd, rijzen wij naar de oppervlakte, zonder dat zelfs de stuurman onze vlucht zou bemerken." "Goed, Ned, loer dus op die gelegenheid; maar vergeet niet, dat een mislukking ons verderf zou zijn." "Ik zal dit niet vergeten, mijnheer!" "En wil je nu weten, Ned, wat ik over je plan denk?" "Graag, mijnheer Aronnax." "Welnu, ik denk, (ik zeg niet: ik hoop) dat deze gunstige gelegenheid zich nimmer zal voordoen." "Waarom niet?" "Omdat de kapitein zich niet ontveinzen kan, dat wij niet alle hoop hebben opgegeven om onze vrijheid te herkrijgen, en dat hij wel op zijn hoede zal zijn, vooral als wij in het gezicht der Europeesche kust varen." "Ik denk zooals mijnheer," zei Koenraad. "Wij zullen wel eens zien," antwoordde Ned Land, die met een vastberaden gelaat het hoofd schudde. "En nu, Ned," voegde ik er bij, "zullen wij verder er over zwijgen: geen woord meer er over. Den dag waarop je gereed zult zijn, zul je ons waarschuwen en wij volgen je. Ik verlaat mij geheel op je." Dit gesprek, dat later zulke zwaarwichtige gevolgen hebben moest, eindigde hiermede. Ik moet nu bekennen, dat de gebeurtenissen mijn voorspelling, tot groote teleurstelling van den Amerikaan, schenen te bevestigen. Wantrouwde de kapitein ons in die druk bevaren zeeën, of wilde hij zich slechts onttrekken aan het oog der tallooze schepen van allerlei natiën, die de Middellandsche Zee doorkliefden? Ik weet het niet, maar meestentijds bleef hij onder water en ver van de kust. De Nautilus kwam soms slechts even boven, zoodat de uitkijk van den stuurman ternauwernood uit het water stak, of wij voeren op groote diepte, daar wij tusschen den Griekschen archipel en Klein-Azië zelfs op 2000 meter den bodem niet konden bereiken. Zoo wist ik niet anders dat wij het eiland Carpathos, een van de Sporaden, langs voeren, dan door het vers van Virgilius, dat kapitein Nemo aanhaalde toen hij met den vinger op de kaart wees: "Est in Carpathio Neptuni gurgite vates, Coeruleus Proteus...." Het was inderdaad de gewezen verblijfplaats van Proteus, den ouden herder der kudden van Neptunus, thans het eiland Scarpanto, tusschen Rhodus en Creta. Ik zag door het raam van den salon alleen de granietrotsen, waarop het rust. Den volgenden dag, 14 Februari, besloot ik eenige uren te besteden aan het bestudeeren van de visschen uit dien archipel; maar om de een of andere reden bleven de wanden vast gesloten. Toen ik naging op welke hoogte de Nautilus zich bevond, merkte ik op, dat wij naar Candia voeren. Op het oogenblik dat ik mij op de Abraham Lincoln had ingescheept, was dit geheele eiland in opstand gekomen tegen de Turksche overheersching; maar ik wist volstrekt niet wat er van dien opstand tot heden toe geworden is, terwijl de kapitein, die geen gemeenschap met het land onderhield, mij het zeker niet zou hebben kunnen zeggen. Ik zinspeelde dus in het geheel niet op deze gebeurtenis, toen ik dien avond met hem alleen in den salon was. Bovendien kwam het mij voor dat hij stil was en afgetrokken. Toen gaf hij, tegen zijn gewoonte, bevel om de wanden open te schuiven, en hij liep van het eene glas naar het andere, om het water nauwkeurig te beschouwen. Waarom? Ik kon het niet raden, en ik hield mij enkel bezig met de visschen te beschouwen, die ons voorbij zwommen. Ik zag onder anderen drie centimeter lange cheilonen, kleine visschen met doorschijnende schubben, loodkleurig en met roode vlekjes; zij eten veelal zeeplanten, waardoor zij een uitstekenden smaak hebben; die vischjes waren bij de lekkerbekken te Rome zeer gezocht; hunne ingewanden met zeeslakkenmelk, pauwenhersens en papegaaientongetjes klaar gemaakt, vormden den goddelijken schotel, die Vitellius in verrukking bracht. Een andere zeebewoner uit deze streken bracht mij de oudheid nogmaals in herinnering. Het was de remora, die zich aan den buik der haaien vasthecht en zóó medezwemt; volgens het beweren der ouden kon deze kleine visch, als hij zich aan de kiel van een schip hechtte, het in de vaart tegenhouden, en toen een van deze dieren in den slag van Actium het schip van Antonius tegenhield, maakte het daardoor de verovering voor Augustus gemakkelijk. Waarvan hangt toch dikwijls het lot der volken af! Mijn oogen konden zich van al die wonderen der zee niet afwenden, toen ik door een onverwachte verschijning werd getroffen. Midden in zee verscheen plotseling een man, een duiker, die een klein leeren zakje aan zijn gordel droeg. Het was geen lijk, dat met den stroom voortdreef, het was een levend mensch, die met krachtige hand voortzwom, en nu en dan verdween, om aan de oppervlakte adem te scheppen, doch aanstonds weer naar beneden dook. Ik keerde mij met bewogen stem tot den kapitein: "Een man een drenkeling!" riep ik, "wij moeten hem redden!" De kapitein antwoordde niet en kwam bij het raam. De man zwom naar ons toe, drukte het gelaat tegen het glas en keek ons aan. Tot mijn groote verbazing gaf de kapitein hem een teeken; de duiker gaf met een wenk antwoord, steeg onmiddellijk naar boven en kwam niet weer terug. "Verontrust u niet," zei de kapitein. "Het is Nikolaas van kaap Matapan, de Visch bijgenaamd. Hij is op al de Cycladen goed bekend; een voortreffelijk duiker! Het water is zijn element, en hij leeft er meer in dan op het land, want hij gaat onophoudelijk van het eene eiland naar het andere, tot zelfs naar Kreta." "Kent gij hem, kapitein?" "Waarom niet, mijnheer?" Toen de kapitein dit gezegd had, ging hij naar een kast, dicht bij het linker raam van den salon. Bij dit meubel zag ik een met ijzer beslagen kist staan, op wier deksel een koperen plaat was bevestigd met het opschrift: "Mobilis in mobile." Zonder op mijn tegenwoordigheid te letten, opende de kapitein de kast; het was een soort geldkist die een groot aantal gouden staven bevatte. Waar kwam dat kostbaar metaal vandaan? Waar haalde de kapitein het en wat zou hij er mee doen? Ik zei geen woord, ik keek slechts toe. Kapitein Nemo nam de staven éen voor éen en schoof ze geregeld in een kist, die hij er geheel mede vulde. Ik hield het er voor, dat deze meer dan duizend kilogrammen goud bevatte, dat is te zeggen voor ongeveer drie millioen franken. De kist werd goed gesloten, en de kapitein schreef er een adres op met Grieksche letters. Toen dit gedaan was, drukte hij op een knop, die door middel van een draad gemeenschap had met het verblijf der equipage. Er verschenen acht man, die niet zonder veel moeite de kist uit den salon droegen; toen hoorde ik dat zij die met takels de groote trap optrokken. Op dit oogenblik wendde kapitein Nemo zich tot mij: "En gij zeidet, mijnheer de professor?" vroeg hij. "Ik zei niets, kapitein." "Dan wensch ik u een goeden nacht, mijnheer," en daarop verliet hij den salon. Ik ging, zooals men denken kan, zeer nieuwsgierig naar mijn kamer. Ik zocht verband tusschen de verschijning van den zwemmer en die met goud gevulde kist. Weldra voelde ik aan eenige slingering, dat de Nautilus uit de diepte naar boven kwam en aan de oppervlakte dreef. Toen hoorde ik op het plat loopen; ik begreep, dat men de sloep los maakte en in zee bracht; een oogenblik stiet zij tegen den Nautilus en toen was alles stil. Twee uren daarna hoorde ik weer hetzelfde geraas en hetzelfde geloop. De sloep werd aan boord geheschen en vastgeschroefd, waarna de Nautilus weer in de diepte zonk. Derhalve waren die schatten aan hun adres bezorgd. Waar en wie was de zaakgelastigde van den kapitein? Den volgenden dag vertelde ik aan Ned en Koenraad wat er dien nacht gebeurd was en mijn nieuwsgierigheid zeer had opgewekt. Mijn makkers waren niet minder verbaasd dan ik. "Maar waar haalt hij die millioenen van daan?" vroeg Ned Land. Daarop kon ik geen antwoord geven. Ik ging na het ontbijt naar den salon en zette mij aan het werk; ik bleef tot vijf uur zitten schrijven. Of ik het aan mijn lichaamstoestand moest toeschrijven wist ik niet, doch ik voelde op dat oogenblik een groote hitte, zoo zelfs, dat ik mijn bovenkleed moest uitdoen. Ik begreep er niets van, want wij waren op geen hooge breedte, en bovendien kon de Nautilus, die op vrij groote diepte voer, geen hinder hebben van hooge temperatuur. Ik keek eens op den manometer; deze wees een diepte van twintig meter, waar dus de warmte van den dampkring niet meer kon doordringen. Ik ging voort met mijn werk, doch de hitte werd bijna onverdraaglijk. "Zou er brand aan boord zijn?" vroeg ik mij zelven af. Ik wilde den salon verlaten, toen kapitein Nemo binnentrad; hij ging naar den thermometer, keek dien na en zei: "Twee-en-veertig graden." "Dat merk ik, kapitein," antwoordde ik; "en als die warmte nog toeneemt, zullen wij die niet meer kunnen verdragen." "Och, mijnheer, die warmte zal niet vermeerderen, als wij het niet willen." "Kunt u die dan naar willekeur regelen?" "Neen, maar ik kan mij van het punt verwijderen waar zij ontstaat." "Komt zij dan van buiten?" "Zonder twijfel; wij varen in een stroom van kokend water." "Is het mogelijk?" riep ik uit. "Kijk maar." De wanden openden zich, en ik zag dat het water om den Nautilus geheel wit was. Zwaveldampen ontwikkelden zich in de zee, die als in een ketel kookte. Ik hield mijn hand tegen het glas, doch dit was zóo heet, dat ik de hand terugtrok. "Waar zijn wij?" vroeg ik. "Bij het eiland Santorino, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "en juist in het kanaal dat Nea-Kameni van Palea-Kameni scheidt. Ik heb u het zonderling schouwspel van een onderzeesche vulkanische uitbarsting willen doen zien." "Ik dacht," zei ik, "dat de vorming van deze nieuwe eilanden afgeloopen was." "Niets is ooit in deze vulkanische streken afgeloopen," antwoordde Nemo, "en de aarde wordt hier altijd door onderaardsch vuur in beweging gebracht. In het negentiende jaar onzer jaartelling verscheen, volgens Cassiodorus en Plinius, een nieuw eiland, Theia of het Goddelijke genaamd, op dezelfde plaats waar zich kortelings nieuwe eilandjes hebben gevormd. Later verdween het onder de golven, om in het jaar 69, nog eens te verschijnen en nog eenmaal te verdwijnen. Sedert dien tijd tot op onze dagen bespeurde men geen vulkanische werking, totdat op 3 Februari 1866 een nieuw eilandje, waaraan men den naam van George gaf, in de nabijheid van Nea-Kameni, te midden van zwaveldampen opsteeg en zich drie dagen later daaraan vasthechtte. Zeven dagen later, 13 Februari, verscheen het eilandje Aphroessa, door een kanaal van tien meter breed van Nea-Kameni gescheiden. Ik was juist in deze zee toen het verschijnsel zich voordeed, en ik heb het in alle bijzonderheden kunnen nagaan. Het eilandje Aphroessa was rond, had drie honderd meter in doorsnede en was tien meter hoog. Het bestond uit zwarte, glasachtige lava, met stukken veldspaat vermengd. Eindelijk vertoonde zich den 10den Maart een veel kleiner eiland, Reka genaamd, bij Nea-Kameni, en sedert dien tijd hebben zich deze drie eilandjes vereenigd en vormen op dit oogenblik éen geheel." "En het kanaal waarin wij ons thans bevinden?" vroeg ik. "Hier is het," zei de kapitein, terwijl hij het mij op een kaart van den Archipel aanwees; "gij ziet, dat ik er de nieuwe eilandjes heb opgezet." "Maar dit kanaal zal zich eens vullen?" "Dat is zeer waarschijnlijk, mijnheer Aronnax, want sedert 1866 zijn er nog acht kleine lava-eilandjes tegenover de haven St. Nicolaas op Palea-Kameni verrezen. Het is dus waarschijnlijk dat Nea en Palea zich vrij spoedig zullen vereenigen. Indien in den Grooten Oceaan de koralen landen vormen, dan zijn het hier vulkanische uitbarstingen: zie eens, mijnheer, wat er hier onder de eilanden geschiedt." Ik kwam weer bij het raam; de Nautilus bewoog zich niet meer; de hitte werd ondraaglijk; de zee werd rood in plaats van wit, door de aanwezigheid van ijzerzouten. Niettegenstaande de salon zeer dicht gesloten was, drong een onverdraaglijke zwavellucht tot ons door, en ik zag vuurroode vlammen, die het electrisch licht verdoofden. Ik zweette, ik stikte bijna, ik dacht dat ik gebraden werd. "Wij kunnen niet langer in dit kokend water blijven," zei ik tot den kapitein. "Neen, dat zou onvoorzichtig zijn," antwoordde Nemo bedaard. Een bevel werd gegeven, de Nautilus zette zich weer in beweging en verwijderde zich van dien oven, waarbij hij het niet langer ongestraft had kunnen uithouden. Een kwartier later haalden wij weer adem aan het oppervlak der zee. Ik dacht er toen aan, dat, zoo Ned Land een dezer streken had uitgekozen om te vluchten, wij zeker niet levend uit deze vuurzee zouden gekomen zijn. Den volgenden dag, 16 Februari, verlieten wij dit gedeelte der zee, dat tusschen Rhodus en Alexandrië soms een diepte van 3000 meter heeft, en de Nautilus Cerigo rechts latende liggen, verlieten wij den Griekschen Archipel, na om kaap Matapan te zijn heengevaren. HOOFDSTUK XXXI Door de Middellandsche Zee in twee dagen. De Middellandsche Zee, de blauwe zee bij uitnemendheid, omringd door kusten waarop oranjeboomen, aloë's, cactussen en pijnboomen groeien en mirten hunne welriekende geuren verspreiden, waarlangs ruwe bergen hunne toppen hemelwaarts verheffen, waarboven het zuiver en doorschijnend luchtazuur zich welft, de zee, die onophoudelijk door stormen of door onderaardsch vuur in beweging wordt gebracht, is voortdurend het slagveld, waar Neptunus en Pluto elkander het wereldgebied betwisten. Aan haar oevers en op haar golven wordt de mensch in een van de krachtigste luchtstreken van den aardbodem als wedergeboren. Doch hoe schoon die zee ook zij, ik heb maar een vluchtig overzicht kunnen nemen van dat waterbekken, dat twee millioen vierkante kilometer oppervlakte beslaat. De kennis van den kapitein hielp mij hier ook weinig, want die raadselachtige persoon verscheen bij deze snelle vaart geen enkele maal. Ik schat den afstand, dien de Nautilus onder zee aflegde, op ongeveer 2400 kilometer, en deze reis legde hij in tweemaal vierentwintig uren af. Na den 16den Februari de Grieksche wateren verlaten te hebben, waren wij den 18den, bij het opkomen van de zon, reeds door de straat van Gibraltar. Het was mij daardoor vrij duidelijk dat deze Middellandsche Zee, besloten tusschen bewoonde landen, die hij wilde ontvluchten, den kapitein bijzonder onaangenaam moest zijn. Hare golven en koeltjes wekten waarschijnlijk bij hem al te veel droeve herinneringen, mogelijk al te veel leed op. Hij kon zich hier met zijn vaartuig niet zoo vrij bewegen als in den Oceaan, en zijn Nautilus voelde zich tusschen de te nabij elkander liggende Afrikaansche en Europeesche kusten te bekneld. Wij hadden een snelheid van vijfenveertig kilometer in het uur. Het spreekt van zelf dat Ned Land, tot zijn groote spijt, zijn ontvluchtingsplannen moest opgeven; hij kon zich van de sloep niet bedienen, nu deze werd meegesleept met een vaart van ongeveer twaalf meter in de seconde. Onder die omstandigheden den Nautilus te verlaten, zou even gevaarlijk geweest zijn, als om uit een sneltrein in volle vaart te springen. Bovendien kwam ons vaartuig alleen des nachts aan de oppervlakte, om een voorraad versche lucht in te nemen, en het snelde slechts vooruit volgens de aanwijzingen van het kompas en den log. Ik zag dus van het inwendige der Middellandsche Zee alleen wat een reiziger in een sneltrein van het landschap ziet, waardoor hij heen vliegt, dat is te zeggen, den verren gezichteinder, en niet wat onder zijn oogen langs hem gaat. Evenwel konden Koenraad en ik eenige visschen bekijken, wier snelheid ze eenige oogenblikken in het vaarwater van den Nautilus deed vertoeven. Wij bleven voor de glazen van den salon op den uitkijk staan, doch ik kon maar weinige aanteekeningen maken over de ichthyologie der Middellandsche Zee. Van de verschillende visschen, die haar bewonen, heb ik enkelen goed, anderen slechts ter loops gezien, zonder nog te spreken van hen, die door de snelheid van den Nautilus ons als voorbij vlogen. Ik zag in het door onze electrische lantaarn helder verlicht gedeelte lampreien kronkelen van een meter lang, die men bijna in alle zeeën aantreft, roggen van vijf voet breed, met witten buik en gevlekten rug. Twaalf voet lange haaien, door duikers in deze zee zoo gevreesd, wedijverden met hen in snelheid; zeevisschen, bekend om den fijnen reuk; goudvisschen, prachtige steuren, schoten langs ons glas, en raakten het somwijlen aan. Ik geloof, dat toen wij de Adriatische Zee voorbijvoeren, ik ook twee of drie potvisschen heb gezien. Koen meende dolfijnen en zeekalven, en zelfs een voet zes lange schildpad te hebben opgemerkt. Toen wij tusschen Sicilië en Tunis doorvoeren, verminderde de Nautilus zijn snelheid; in deze ruimte tusschen kaap Bon en de westpunt van Sicilië stijgt de bodem der zee bijna plotseling. Daar is een wezenlijke bergkam, waarboven slechts zeventien meter water staan, terwijl de diepte aan weerszijden zeventig meter bedraagt. De Nautilus moest dus zeer voorzichtig varen, om niet tegen dien onderzeeschen rotswand te stooten. Ik wees Koenraad op een kaart van de Middellandsche Zee de plaats van dezen langen rotswand aan. "Mijnheer moet mij niet kwalijk nemen," zei hij, "maar dat is een wezenlijke landtong tusschen Europa en Afrika." "Ja, vriend," antwoordde ik; "zij sluit dit gedeelte der zee bij de kust van Libye geheel af, en de peilingen van Smith hebben bewezen, dat de beide werelddeelen eertijds tusschen de kapen Boco en Farina verbonden waren." "Ik geloof het graag," zei Koenraad. "Ik zal er nog bijvoegen," hervatte ik, "dat er een dergelijke verbinding tusschen Gibraltar en Ceuta bestaat, die in een voorwereldlijk tijdperk de Middellandsche Zee geheel afsloot." "En," vroeg Koenraad, "als eenige vulkanische uitbarsting die beide scheidingsmuren eens tot boven de golven verhief?" "Dat is niet waarschijnlijk, Koenraad." "Laat ik eerst uitspreken, mijnheer; als dit verschijnsel eens plaats vond, zou het onaangenaam zijn voor mijnheer de Lesseps, die zich zooveel moeite geeft om de landengte door te graven." "Dat is waar; maar ik herhaal het, Koen, dit verschijnsel zal niet plaats hebben. De kracht der onderaardsche werking vermindert voortdurend. De vulkanen, die in vroeger tijdperken zoo talrijk waren, dooven langzamerhand uit; de inwendige warmte verflauwt, de temperatuur der onderste aardlagen daalt eeuw op eeuw vrij merkbaar, en dit ten nadeele van onze aarde, want die warmte is haar leven." "Maar de zon...." "De zon is onvoldoende, Koen. Kan zij warmte aan een lijk geven?" "Neen, niet zoover ik weet." "Welnu, mijn vriend, eens zal de aarde een kil lijk worden; zij zal onbewoonbaar en onbewoond zijn als de maan, die haar levenskracht sedert langen tijd verloren heeft." "Over hoeveel eeuwen?" vroeg Koenraad. "Over eenige honderdduizenden van jaren, mijn jongen." "Dan hebben wij nog tijd om onze reis te eindigen, als Ned Land zich e